Attendre (wachten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van attendre (wachten) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Attendre (wachten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 2: Des heures aux saisons (Van uren tot seizoenen)

Les 12: Saisons, mois et parties de l'année (Seizoenen, maanden en delen van het jaar)

Infinitif Participe passé
Attendre (wachten) attendu (gewacht)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') j'attends ik wacht
tu attends jij wacht
il/elle/on attend hij/zij/men wacht
nous attendons wij wachten
vous attendez u wacht
ils/elles attendent zij wachten

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'attendais ik wachtte
tu attendais jij wachtte
il/elle/on attendait hij/zij/men wachtte
nous attendions wij wachtten
vous attendiez jullie wachtten/u wachtte
ils/elles attendaient zij wachtten

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') ai attendu ik heb gewacht
(tu) as attendu jij hebt gewacht
(il/elle/on) a attendu hij/zij/men heeft gewacht
(nous) avons attendu wij hebben gewacht
(vous) avez attendu jullie hebben gewacht
(ils/elles) ont attendu zij hebben gewacht

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'avais attendu ik had gewacht
tu avais attendu jij had gewacht
il/elle/on avait attendu hij/zij/men had gewacht
nous avions attendu wij hadden gewacht
vous aviez attendu u had gewacht
ils/elles avaient attendu zij hadden gewacht

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') j'attendrai ik zal wachten
tu attendras jij zult wachten
il/elle/on attendra hij/zij/men zal wachten
nous attendrons wij zullen wachten
vous attendrez jullie zullen wachten
ils/elles attendront zij zullen wachten

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai attendu ik zal gewacht hebben
(tu) auras attendu jij zult gewacht hebben
(il/elle/on) aura attendu hij/zij/men zal gewacht hebben
(nous) aurons attendu wij zullen gewacht hebben
(vous) aurez attendu u zult gewacht hebben
(ils/elles) auront attendu zij zullen gewacht hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') attendrais ik zou wachten
(tu) attendrais jij zou wachten
(il/elle/on) attendrait hij/zij/men zou wachten
(nous) attendrions wij zouden wachten
(vous) attendriez u zou wachten
(ils/elles) attendraient zij zouden wachten

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais attendu ik zou hebben gewacht
(tu) aurais attendu jij zou hebben gewacht
(il/elle/on) aurait attendu hij/zij/men zou gewacht hebben
(nous) aurions attendu wij zouden hebben gewacht
(vous) auriez attendu u zou hebben gewacht
(ils/elles) auraient attendu zij zouden gewacht hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') attende ik wacht
(tu) attendes jij wacht
(il/elle/on) attende hij/zij/wij wacht
(nous) attendions wij wachten
(vous) attendiez jullie wachten
(ils/elles) attendent zij wachten

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') aie attendu ik heb gewacht
(tu) aies attendu jij hebt gewacht
(il/elle/on) ait attendu hij/zij/men heeft gewacht
(nous) ayons attendu wij hebben gewacht
(vous) ayez attendu u hebt gewacht
(ils/elles) aient attendu zij hadden gewacht

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Attends! wacht
Attends! wacht