A1.12 - Seizoenen, maanden en delen van het jaar
Saisons, mois et parties de l'année
1. Taalonderdompeling
A1.12.1 Activiteit
Vakantieplanning
3. Grammatica
A1.12.2 Grammatica
De overeenstemming van bijvoeglijke naamwoorden
Belangrijk werkwoord
Aller (gaan)
Belangrijk werkwoord
Préférer (voorkeur geven aan)
4. Oefeningen
Oefening 1: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
Email: Je ontvangt een e-mail van een Franse vriend die data voorstelt om op vakantie te gaan; antwoord om je voorkeuren en beschikbaarheid te geven.
Salut,
Je pense à nos prochaines vacances. Tu préfères partir en hiver ou au printemps ?
En février, je suis libre. En mars, je travaille beaucoup. En avril, je peux aussi prendre une semaine.
En hiver il fait froid, mais j’aime la neige. Au printemps, il fait plus doux, c’est agréable.
Qu’est-ce que tu préfères ? Quels mois sont possibles pour toi ?
À bientôt,
Lucas
Salut,
Je pense à nos prochaines vacances. Tu préfères partir en hiver ou au printemps ?
En février, je suis libre. En mars, je travaille beaucoup. En avril, je peux aussi prendre une semaine.
En hiver il fait froid, mais j’aime la neige. Au printemps, il fait plus doux, c’est agréable.
Qu’est-ce que tu préfères ? Quels mois sont possibles pour toi ?
À bientôt,
Lucas
Begrijp de tekst:
-
Quels mois Lucas propose-t-il comme possibles pour partir ?
(Welke maanden stelt Lucas voor om te vertrekken?)
-
Que dit Lucas sur le temps en hiver et au printemps ?
(Wat zegt Lucas over het weer in de winter en in het voorjaar?)
Nuttige zinnen:
-
Je préfère partir en…
(Je préfère partir en…)
-
En … je suis libre, mais en … je travaille.
(En … je suis libre, mais en … je travaille.)
-
En hiver / au printemps, il fait …
(En hiver / au printemps, il fait …)
Merci pour ton email. Je préfère partir au printemps. En février je travaille, je ne suis pas libre. En mars, c’est difficile aussi.
En avril, je suis libre une semaine. Au printemps, il fait doux et j’aime ça. On peut partir en avril.
À bientôt,
Sofia
Salut Lucas,
Merci pour ton e-mail. Ik vertrek het liefst in het voorjaar. In februari werk ik, ik ben niet vrij. In maart is het ook lastig.
In april ben ik een week vrij. In het voorjaar is het mild en dat vind ik fijn. We kunnen dus in april gaan.
À bientôt,
Sofia
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. En été, nous ___ souvent en vacances en juillet.
(In de zomer gaan wij ___ vaak op vakantie in juli.)2. En hiver, je ___ rester à la maison quand il fait très froid.
(In de winter blijf ik ___ liever thuis als het erg koud is.)3. En avril, vous ___ souvent au bureau à pied parce qu’il fait beau.
(In april loopt u ___ vaak te voet naar kantoor omdat het mooi weer is.)4. Au printemps, ils ___ organiser les réunions le matin.
(In het voorjaar geven zij ___ de voorkeur aan vergaderingen in de ochtend.)Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Choisir le mois des vacances
Claire, collègue: Show Marc, tu prends tes vacances en juillet ou en août cette année ?
(Marc, neem je dit jaar je vakantie in juli of in augustus?)
Marc, collègue: Show Je préfère août, en été il fait très beau et j’aime attendre un peu après juillet.
(Ik geef de voorkeur aan augustus. In de zomer is het meestal prachtig weer en ik wacht graag nog even na juli.)
Claire, collègue: Show Moi je prends juin, au début de l’été, il y a moins de monde.
(Ik ga in juni weg; vroeg in de zomer is het rustiger.)
Marc, collègue: Show Parfait, comme ça en septembre on est tous les deux au bureau.
(Perfect, dan zijn we in september allebei op kantoor.)
Open vragen:
1. Et toi, tu préfères les vacances en été ou en hiver ? Pourquoi ?
En jij, heb je liever vakantie in de zomer of in de winter? Waarom?
2. Dans quel mois de l’année tu es souvent en vacances ?
In welke maand van het jaar ben jij meestal op vakantie?
Parler du temps en hiver
Luc, voisin: Show Nadia, tu aimes l’hiver ici à Paris ? En janvier il fait très froid.
(Nadia, vind je de winter leuk hier in Parijs? In januari is het erg koud.)
Nadia, voisine: Show Ce n’est pas ma saison préférée, mais en février j’aime le café chaud à la maison.
(Het is niet mijn favoriete seizoen, maar in februari geniet ik van een warme koffie thuis.)
Luc, voisin: Show Moi aussi, et en mars j’attends le printemps, je veux du soleil.
(Ik ook, en in maart kijk ik uit naar de lente; ik wil zon zien.)
Nadia, voisine: Show Oui, au printemps le temps est doux et je sors plus au parc.
(Ja, in de lente is het weer zacht en ga ik vaker naar het park.)
Open vragen:
1. Qu’est‑ce que tu fais en hiver quand il fait froid ?
Wat doe jij in de winter als het koud is?
2. Quelle est ta saison préférée ? Pourquoi ?
Wat is je favoriete seizoen? Waarom?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Ton manager te demande quand tu veux prendre tes vacances cette année. Réponds et dis dans quel mois tu préfères partir. (Utilise : les vacances, préférer, un mois, par exemple en juillet / en août)
(Je manager vraagt wanneer je dit jaar met vakantie wilt. Antwoord en zeg in welke maand je het liefst vertrekt. (Gebruik: de vakantie, liever hebben/verkiezen, een maand, bijvoorbeeld in juli / in augustus))Je préfère
(Ik ga liever ... / Ik verkies ...)Voorbeeld:
Je préfère les vacances en août.
(Ik ga het liefst met vakantie in augustus.)2. Tu es chez le médecin. Il veut fixer un prochain rendez-vous en hiver. Dis quel mois d’hiver est bien pour toi. (Utilise : l’hiver, un mois d’hiver, par exemple en janvier / en février)
(Je bent bij de dokter. Hij wil een volgende afspraak in de winter plannen. Zeg welke wintermaand jou goed uitkomt. (Gebruik: de winter, een wintermaand, bijvoorbeeld in januari / in februari))En hiver,
(In de winter ...)Voorbeeld:
En hiver, janvier est bien pour moi.
(In de winter komt januari goed uit voor mij.)3. Tu discutes avec une collègue à la machine à café. Elle te demande : « Quel est ton mois préféré au printemps ? » Réponds et dis aussi pourquoi, très simplement. (Utilise : le printemps, un mois, aimer, beau temps)
(Je praat met een collega bij de koffiemachine. Zij vraagt: “Wat is jouw favoriete maand in de lente?” Antwoord en zeg ook kort waarom. (Gebruik: de lente, een maand, houden van, mooi weer))Au printemps,
(In de lente ...)Voorbeeld:
Au printemps, j’aime beaucoup le mois de mai.
(In de lente houd ik erg van de maand mei.)4. Tu envoies un message à un ami en France. Tu attends ses dates de vacances pour organiser une visite. Dis que tu attends encore ses dates. (Utilise : attendre, les vacances, encore)
(Je stuurt een bericht naar een vriend in Frankrijk. Je wacht op zijn/haar vakantiedata om een bezoek te plannen. Zeg dat je nog op die data wacht. (Gebruik: wachten, de vakantie, nog))J’attends
(Ik wacht nog op ...)Voorbeeld:
J’attends encore tes dates de vacances.
(Ik wacht nog op jouw vakantiedata.)Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen om uit te leggen wanneer je gedurende het jaar op vakantie gaat en wat je in de zomer of in de winter doet.
Nuttige uitdrukkingen:
Je préfère partir en vacances en… / En été / En hiver, il fait… / Je prends mes vacances en… / Avec ma famille / mes amis, je vais…
Exercice 7: Gespreksoefening
Instruction:
- Peux-tu nommer les saisons et les mois ? (Kun je de seizoenen en maanden noemen?)
- Quel temps fait-il à chaque saison ? (Hoe is het weer in elk seizoen?)
- Quels mois sont dans chaque saison ? (Welke maanden horen bij elk seizoen?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Il y a trois mois en été : juin, juillet et août. Er zijn drie maanden in de zomer: juni, juli en augustus. |
|
En été il fait chaud. In de zomer is het heet. |
|
septembre, octobre et novembre sont en automne, et il pleut souvent. September, oktober en november zijn in de herfst, en het regent vaak. |
|
Décembre, janvier et février sont les mois d'hiver. December, januari en februari zijn de wintermaanden. |
|
Pendant les mois d'hiver, il neige parfois. In de wintermaanden sneeuwt het soms. |
|
Mars, avril et mai sont les mois de printemps et le temps est frais. Maart, april en mei zijn de lentemaanden en het weer is fris. |
| ... |