Célébrer (vieren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van célébrer (vieren) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Célébrer (vieren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 2: Des heures aux saisons (Van uren tot seizoenen)

Les 14: Dates du calendrier et jours fériés (Kalenderdata en feestdagen)

Infinitif Participe passé
Célébrer (vieren) célébré (gevierde)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') présent (indicatif) ik vier
(tu) célèbre jij viert
(il/elle/on) célèbres hij/zij/men viert
(nous) célèbre wij vieren
(vous) célébrons jullie vieren
(ils/elles) célebrez zij vieren

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') célébrais ik vierde
(tu) célébrais jij vierde
(il/elle/on) célébrait hij/zij/men vierde
(nous) célébrions wij vierden
(vous) célébriez jullie vierden
(ils/elles) célébraient zij vierden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai célébré ik heb gevierd
tu as célébré jij hebt gevierd
il/elle/on a célébré hij/zij/men heeft gevierd
nous avons célébré wij hebben gevierd
vous avez célébré jullie hebben gevierd
ils/elles ont célébré zij hebben gevierd

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais célébré ik had gevierd
(tu) avais célébré jij had gevierd
(il/elle/on) avait célébré hij/zij/men had gevierd
(nous) avions célébré wij hadden gevierd
(vous) aviez célébré jullie hadden gevierd
(ils/elles) avaient célébré zij hadden gevierd

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') célébrerai ik zal vieren
(tu) célébreras jij zult vieren
(il/elle/on) célébrera hij/zij/men zal vieren
(nous) célébrerons wij zullen vieren
(vous) célébrerez u zult vieren
(ils/elles) célébreront zij zullen vieren

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai célébré ik zal gevierd hebben
(tu) auras célébré jij zult gevierd hebben
(il/elle/on) aura célébré hij/zij/men zal gevierd hebben
(nous) aurons célébré wij zullen gevierd hebben
(vous) aurez célébré u zult gevierd hebben
(ils/elles) auront célébré zij zullen gevierd hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') célébrerais ik zou vieren
(tu) célébrerais jij zou vieren
(il/elle/on) célébrerait hij/zij/men zou vieren
(nous) célébrerions wij zouden vieren
(vous) célébreriez jullie zouden vieren
(ils/elles) célébreraient zij zouden vieren

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais célébré ik zou hebben gevierd
(tu) aurais célébré jij zou hebben gevierd
(il/elle/on) aurait célébré hij/zij/men zou gevierd hebben
(nous) aurions célébré wij zouden hebben gevierd
(vous) auriez célébré jullie zouden gevierd hebben
(ils/elles) auraient célébré zij zouden gevierd hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') célèbre ik vier
(tu) célèbres jij viert
(il/elle/on) célèbre hij/zij/men viert
(nous) célébrions wij vieren
(vous) célébriez jullie vieren
(ils/elles) célèbrent zij vieren

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') aie célébré ik heb gevierd
(tu) aies célébré jij hebt gevierd
(il/elle/on) ait célébré hij/zij/men heeft gevierd
(nous) ayons célébré wij hebben gevierd
(vous) ayez célébré jullie hebben gevierd
(ils/elles) aient célébré zij hebben gevierd

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Célébrons! vieren
Célèbre! vier