Chanter (zingen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van chanter (zingen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Chanter (zingen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 6: La ville et le village (De stad en het dorp)

Les 44: Sortie du vendredi soir (Vrijdagavond uit)

Infinitif Participe passé
Chanter (zingen) chanté (gezongen)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') chante ik zing
(tu) chantes jij zingt
(il/elle/on) chante hij/zij/men zingt
(nous) chantons wij zingen
(vous) chantez jullie zingen / u zingt
(ils/elles) chantent zij zingen

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') chantais ik zong
(tu) chantais jij zong
(il/elle/on) chantait hij/zij/het zong
(nous) chantions wij zongen
(vous) chantiez jullie zongen/u zong
(ils/elles) chantaient zij zongen

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') ai chanté ik heb gezongen
(tu) as chanté jij hebt gezongen
(il/elle/on) a chanté hij/zij/men heeft gezongen
(nous) avons chanté wij hebben gezongen
(vous) avez chanté jullie hebben gezongen/u heeft gezongen
(ils/elles) ont chanté zij hebben gezongen

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais chanté ik had gezongen
(tu) avais chanté jij had gezongen
(il/elle/on) avait chanté hij/zij/men had gezongen
(nous) avions chanté wij hadden gezongen
(vous) aviez chanté jullie hadden gezongen / u had gezongen
(ils/elles) avaient chanté zij hadden gezongen

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') chanterai ik zal zingen
(tu) chanteras jij zult zingen
(il/elle/on) chantera hij/zij/men zal zingen
(nous) chanterons wij zingen
(vous) chanterez u zult zingen
(ils/elles) chanteront zij zullen zingen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai chanté ik zal gezongen hebben
(tu) auras chanté jij zult gezongen hebben
(il/elle/on) aura chanté hij/zij/men zal gezongen hebben
(nous) aurons chanté wij zullen gezongen hebben
(vous) aurez chanté jullie zullen gezongen hebben
(ils/elles) auront chanté zij zullen gezongen hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') chanterais ik zou zingen
(tu) chanterais jij zou zingen
(il/elle/on) chanterait hij zou zingen / zij zou zingen / men zou zingen
(nous) chanterions wij zouden zingen
(vous) chanteriez u zou zingen
(ils/elles) chanteraient zij zouden zingen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais chanté ik zou gezongen hebben
(tu) aurais chanté jij zou gezongen hebben
(il/elle/on) aurait chanté hij/zij/men zou gezongen hebben
(nous) aurions chanté wij zouden gezongen hebben
(vous) auriez chanté u zou gezongen hebben
(ils/elles) auraient chanté zij zouden gezongen hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') chante ik zing
(tu) chantes jij zingt
(il/elle/on) chante hij/zij/men zingt
(nous) chantions wij zingen
(vous) chantiez jullie zingen/u zingt
(ils/elles) chantent zij zingen

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie chanté ik heb gezongen
(tu) que tu aies chanté jij hebt gezongen
(il/elle/on) qu'il/elle/on ait chanté hij/zij/men heeft gezongen
(nous) que nous ayons chanté wij hebben gezongen
(vous) que vous ayez chanté jullie hebben gezongen
(ils/elles) qu'ils/elles aient chanté zij hebben gezongen

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Chante! zing
Chantons! zing