Couper (snijden) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van couper (snijden) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Couper (snijden) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 5: À la maison (Thuis)

Les 33: Vaisselle (Servies)

Infinitif Participe passé
Couper (snijden) coupé (gesneden)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je coupe ik snijd
tu coupes jij snijdt
il/elle/on coupe hij/zij/men snijdt
nous coupons wij snijden
vous coupez jullie snijden
ils/elles coupent zij snijden

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') coupais ik sneed
(tu) coupais jij sneed
(il/elle/on) coupait hij/zij/men sneed
(nous) coupions wij sneden
(vous) coupiez jullie sneden/u sneed
(ils/elles) coupaient zij sneden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai coupé ik heb gesneden
tu as coupé jij hebt gesneden
il/elle/on a coupé hij/zij/men heeft gesneden
nous avons coupé wij hebben gesneden
vous avez coupé u hebt gesneden
ils/elles ont coupé zij hebben gesneden

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais coupé ik had gesneden
(tu) avais coupé jij had gesneden
(il/elle/on) avait coupé hij/zij/men had gesneden
(nous) avions coupé wij hadden gesneden
(vous) aviez coupé jullie hadden gesneden
(ils/elles) avaient coupé zij hadden gesneden

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') couperai ik zal snijden
(tu) couperas jij zult snijden
(il/elle/on) coupera hij/zij/men zal snijden
(nous) couperons wij zullen snijden
(vous) couperez jullie snijden
(ils/elles) couperont zij snijden

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai coupé ik zal gesneden hebben
(tu) auras coupé jij zult gesneden hebben
(il/elle/on) aura coupé hij/zij/men zal hebben gesneden
(nous) aurons coupé wij zullen gesneden hebben
(vous) aurez coupé jullie zullen gesneden hebben
(ils/elles) auront coupé zij zullen gesneden hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') couperais ik zou snijden
(tu) couperais jij zou snijden
(il/elle/on) couperait hij/zij/men zou snijden
(nous) couperions wij zouden snijden
(vous) couperiez jullie zouden snijden
(ils/elles) couperaient zij zouden snijden

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais coupé ik zou gesneden hebben
(tu) aurais coupé jij zou gesneden hebben
(il/elle/on) aurait coupé hij/zij/men zou hebben gesneden
(nous) aurions coupé wij zouden hebben gesneden
(vous) auriez coupé u zou gesneden hebben
(ils/elles) auraient coupé zij zouden gesneden hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') que je coupe dat ik snijd
(tu) que tu coupes jij snijdt
(il/elle/on) qu'il/elle/on coupe hij/zij/men snijd
(nous) que nous coupions wij snijden
(vous) que vous coupiez jullie snijden
(ils/elles) qu'ils/elles coupent zij snijden

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie coupé / que j'aie coupée ik heb gesneden
(tu) que tu aies coupé / que tu aies coupée jij hebt gesneden
(il/elle/on) qu'il ait coupé / qu'elle ait coupée / qu'on ait coupé hij/zij/men heeft gesneden
(nous) que nous ayons coupé / que nous ayons coupée wij dat wij gesneden hebben
(vous) que vous ayez coupé / que vous ayez coupée / que vous ayez coupés / que vous ayez coupées jij hebt gesneden / jij hebt gesneden / jullie hebben gesneden / jullie hebben gesneden
(ils/elles) qu'ils aient coupé / qu'elles aient coupées zij hebben gesneden

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Jij snijd
Coupe! Snijd