Croire (geloven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van croire (geloven) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Croire (geloven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 5: Ménage quotidien (Dagelijks huishouden)

Les 31: Liste de choses à faire (Bucketlist)

Infinitif Participe passé
Croire (geloven) cru (geloofd)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je crois / j’ ik geloof
tu crois jij gelooft
(il/elle/on) il croit / elle croit / on croit hij gelooft / zij gelooft / men gelooft
nous croyons wij geloven
vous croyez jullie geloven
(ils/elles) ils croient / elles croient (zij) zij geloven

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') croyais ik geloofde
(tu) croyais jij geloofde
(il/elle/on) croyait hij/zij/men geloofde
(nous) croyions wij geloofden
(vous) croyiez jullie geloofden
(ils/elles) croy aient zij geloofden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') ai cru ik heb geloofd
(tu) as cru jij hebt geloofd
(il/elle/on) a cru hij/zij/men heeft geloofd
(nous) avons cru wij hebben geloofd
(vous) avez cru jullie hebben geloofd
(ils/elles) ont cru zij hebben geloofd

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais cru Ik had geloofd
(tu) avais cru jij had geloofd
(il/elle/on) avait cru hij/zij/men had geloofd
(nous) avions cru wij hadden geloofd
(vous) aviez cru jullie hadden geloofd
(ils/elles) avaient cru zij hadden geloofd

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') croirai Ik zal geloven
(tu) croiras jij zult geloven
(il/elle/on) croira hij/zij/men zal geloven
(nous) croirons wij zullen geloven
(vous) croirez jullie zullen geloven
(ils/elles) croiront zij zullen geloven

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai cru ik zal hebben geloofd
(tu) auras cru jij zult geloofd hebben
(il/elle/on) aura cru hij/zij/men zal hebben geloofd
(nous) aurons cru wij zullen geloofd hebben
(vous) aurez cru jullie zullen geloofd hebben
(ils/elles) auront cru zij zullen geloofd hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') croirais ik zou geloven
(tu) croirais jij zou geloven
(il/elle/on) croirait hij/zij/men zou geloven
(nous) croirions wij zouden geloven
(vous) croiriez u zou geloven
(ils/elles) croiraient zij zouden geloven

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais cru ik zou geloofd hebben
(tu) aurais cru jij zou hebben geloofd
(il/elle/on) aurait cru hij/zij/men zou geloofd hebben
(nous) aurions cru wij zouden hebben geloofd
(vous) auriez cru u zou geloofd hebben
(ils/elles) auraient cru zij zouden hebben geloofd

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') croie ik geloof
(tu) croies jij gelooft
(il/elle/on) croie hij/zij/men gelooft
(nous) croyions wij geloven
(vous) croyiez u gelooft
(ils/elles) croient zij geloven

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') aie cru ik heb geloofd
(tu) aies cru jij hebt geloofd
(il/elle/on) ait cru hij/zij/het heeft geloofd
(nous) ayons cru wij hebben geloofd
(vous) ayez cru jullie zouden hebben geloofd
(ils/elles) aient cru zij hebben geloofd

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Crois! geloof
Crois! geloof