Leer in deze les hoe je over je toekomstplannen en wensen praat in het Frans, met kernwoorden als 'planifier' (plannen), 'projets' (projecten), en 'liste de choses à faire' (bucketlist). Ontdek praktische zinnen om je doelen te delen, zoals 'Je veux visiter Paris' en 'J'aimerais faire un marathon'.
Woordenschat (14) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Exercice 1: Gespreksoefening
Instruction:
- Wat wilde je worden toen je een kind was? (Wat wilde je worden toen je een kind was?)
- Welke plannen heb je voor de toekomst? Zou je binnenkort van baan willen veranderen? (Welke plannen heb je voor de toekomst? Wil je binnenkort van baan veranderen?)
- Hoe ga je ze bereiken? (Hoe ga je ze bereiken?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
Quand j'étais petit, je voulais devenir pompier. Toen ik klein was, wilde ik brandweerman worden. |
Quand j'étais enfant, je rêvais de devenir médecin. Als kind droomde ik ervan om dokter te worden. |
Je veux avoir plus de responsabilités dans mon travail à l'avenir. Ik wil in de toekomst meer verantwoordelijkheid in mijn werk hebben. |
Je veux devenir le patron de mon entreprise dans quelques années. Ik wil over een paar jaar de baas van mijn bedrijf zijn. |
Je souhaiterais changer de métier bientôt car je ne suis pas satisfait de mon emploi actuel. Ik wil binnenkort van beroep veranderen omdat ik niet tevreden ben met mijn huidige baan. |
Je retournerai à l'université pour devenir enseignant. Ik ga weer naar de universiteit om leraar te worden. |
... |
Oefening 2: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Quand j'étais jeune, je ________ toujours mes voyages futurs avec soin.
(Toen ik jong was, ________ ik altijd mijn toekomstige reizen zorgvuldig.)2. Si j'avais plus de temps, je ________ une aventure inoubliable cette année.
(Als ik meer tijd had, zou ik dit jaar een onvergetelijk avontuur ________.)3. Nous ________ un saut en parachute pour le week-end prochain.
(Wij ________ een parachutesprong voor volgend weekend.)4. Si tu ________ mieux tes journées, tu serais plus productif.
(Als je je dagen beter zou ________, zou je productiever zijn.)Oefening 4: Lijst van dingen om te doen
Instructie:
Werkwoordschema's
Planifier - Plannen
imparfait
- je planifiais
- tu planifiais
- il/elle/on planifiait
- nous planifiions
- vous planifiiez
- ils/elles planifiaient
Avoir - Hebben
imparfait
- j'avais
- tu avais
- il/elle/on avait
- nous avions
- vous aviez
- ils/elles avaient
Croire - Geloven
imparfait
- je croyais
- tu croyais
- il/elle/on croyait
- nous croyions
- vous croyiez
- ils/elles croyaient
Préparer - Bereiden
imparfait
- je préparais
- tu préparais
- il/elle/on préparait
- nous préparions
- vous prépariez
- ils/elles préparaient
Réaliser - Realiseren
imparfait
- je réalisais
- tu réalisais
- il/elle/on réalisait
- nous réalisions
- vous réalisiez
- ils/elles réalisaient
Apporter - Brengen
imparfait
- j'apportais
- tu apportais
- il/elle/on apportait
- nous apportions
- vous apportiez
- ils/elles apportaient
Planifier - Plannen
présent
- je planifie
- tu planifies
- il/elle/on planifie
- nous planifions
- vous planifiez
- ils/elles planifient
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Planifier plannen Delen Gekopieerd!
Imparfait
Frans | Nederlands |
---|---|
(je/j') planifiais | ik plande |
(tu) planifiais | jij plande |
(il/elle/on) planifiait | hij/zij/men plande |
(nous) planifiions | we planden |
(vous) planifiiez | jullie planden |
(ils/elles) planifiaient | zij planden |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Frans oefenen? Dat is mogelijk! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Bucket list: praten over je toekomstplannen in het Frans
In deze les leer je hoe je in het Frans kunt praten over je toekomstige projecten, dromen en persoonlijke doelen. Het is een A2-niveau les waarin je praktische expressies en gangbare werkwoordsvormen oefent die je helpen je plannen en wensen te delen in alledaagse gesprekken.
Belangrijke thema's en inhoud van de les
- Het bespreken van toekomstige plannen en verlangens, bijvoorbeeld: "Je veux visiter Paris" (Ik wil Parijs bezoeken) of "Je voudrais faire un marathon" (Ik zou graag een marathon lopen).
- Gebruikelijke zinnen om te vragen en vertellen wat je wilt doen: "Qu'est-ce que tu veux faire cette année ?" en "Tu as une liste de choses à faire ?"
- Werkwoord 'planifier' (plannen) in verschillende tijden, met focus op de imparfait (verleden tijd) en de présent (tegenwoordige tijd), zoals je planifiais en je planifie.
- Een korte verhalende tekst met werkwoordvervoegingen in de imparfait om context te geven.
Voorbeelden van nuttige woorden en uitdrukkingen
- faire une liste: een lijst maken
- des projets futurs: toekomstige plannen
- réaliser ses rêves: je dromen waarmaken
- organiser: organiseren
- une aventure inoubliable: een onvergetelijk avontuur
Werkwoorden en grammatica in de les
De focus ligt op het werkwoord planifier in de imparfait en de présent, zoals:
- je planifiais (ik plande / ik was aan het plannen)
- nous planifions (wij plannen)
Verder komen andere imparfait-vormen van werkwoorden voorbij, zoals avoir, croire, préparer, réaliser en apporter. Dit helpt je een goede vertrouwdheid te krijgen met de verleden tijd in context.
Verschillen tussen het Nederlands en Frans in deze les
In het Nederlands gebruik je vaak het hele werkwoord of de infinitief om plannen uit te drukken: "Ik wil reizen" of "Ik zou graag leren koken". Het Frans gebruikt hier vaak vouloir gevolgd door een infinitief: Je veux visiter, Je voudrais apprendre. Bovendien heeft het Frans een speciale verleden tijd, de imparfait, die regelmatig gebruikt wordt om gewoonten of lopende acties in het verleden te beschrijven, iets wat in het Nederlands vaak met de onvoltooid verleden tijd of imperfectum gebeurt, maar minder formeel met werkwoordsvormen is.
Enkele handige uitdrukkingen:
faire une liste = een lijst maken
planifier = plannen
rêver de = dromen van
réaliser un objectif = een doel bereiken