Cuisiner (koken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van cuisiner (koken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Cuisiner (koken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 3: Au jour le jour (Dag tot dag)

Les 15: Nourriture quotidienne (Dagelijks eten)

Infinitif Participe passé
Cuisiner (koken) cuisiné (gekookt)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') cuisine ik kook
(tu) cuisines jij kookt
(il/elle/on) cuisine hij/zij/men kookt
(nous) cuisinons wij koken
(vous) cuisinez u kookt
(ils/elles) cuisinent zij koken

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') cuisinais ik kookte
(tu) cuisinais jij kookte
(il/elle/on) cuisinait hij/zij/men kookte
(nous) cuisinions wij kookten
(vous) cuisiniez jullie kookten/u kookte
(ils/elles) cuisinaient zij kookten

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') J'ai cuisiné ik heb gekookt
(tu) Tu as cuisiné jij hebt gekookt
(il/elle/on) Il/elle/on a cuisiné hij/zij/men heeft gekookt
(nous) Nous avons cuisiné wij hebben gekookt
(vous) Vous avez cuisiné U heeft gekookt
(ils/elles) Ils/elles ont cuisiné zij hebben gekookt

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j’avais cuisiné ik had gekookt
tu avais cuisiné jij had gekookt
il/elle/on avait cuisiné hij/zij/men had gekookt
nous avions cuisiné wij hadden gekookt
vous aviez cuisiné u had gekookt
ils/elles avaient cuisiné zij hadden gekookt

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') cuisinerai ik zal koken
(tu) cuisineras jij zult koken
(il/elle/on) cuisinera hij/zij/men zal koken
(nous) cuisinerons wij zullen koken
(vous) cuisinerez u zult koken
(ils/elles) cuisineront zij zullen koken

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai cuisiné ik zal gekookt hebben
(tu) auras cuisiné jij zult gekookt hebben
(il/elle/on) aura cuisiné hij/zij/men zal gekookt hebben
(nous) aurons cuisiné wij zullen gekookt hebben
(vous) aurez cuisiné jullie zullen gekookt hebben
(ils/elles) auront cuisiné zij zullen gekookt hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') cuisinerais ik zou koken
(tu) cuisinerais jij zou koken
(il/elle/on) cuisinerait hij/zij/men zou koken
(nous) cuisinerions wij zouden koken
(vous) cuisineriez jullie zouden koken
(ils/elles) cuisineraient zij zouden koken

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais cuisiné ik zou hebben gekookt
(tu) aurais cuisiné jij zou hebben gekookt
(il/elle/on) aurait cuisiné hij/zij/men zou hebben gekookt
(nous) aurions cuisiné wij zouden hebben gekookt
(vous) auriez cuisiné jullie zouden gekookt hebben
(ils/elles) auraient cuisiné zij zouden gekookt hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') que je cuisine ik kook
(tu) que tu cuisines jij kookt
(il/elle/on) qu'il/elle/on cuisine hij/zij/men kookt
(nous) que nous cuisinions wij koken
(vous) que vous cuisiniez jullie koken
(ils/elles) qu'ils/elles cuisinent zij koken

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie cuisiné ik heb gekookt
(tu) que tu aies cuisiné jij hebt gekookt
(il/elle/on) qu'il/elle/on ait cuisiné hij/zij/men heeft gekookt
(nous) que nous ayons cuisiné wij hebben gekookt
(vous) que vous ayez cuisiné u dat u gekookt hebt
(ils/elles) qu'ils/elles aient cuisiné zij hebben gekookt

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Cuisinons! kook
Cuisine! U kook