A1.17 - Koken en bakken
Cuisine et pâtisserie
2. Grammatica
A1.17.1 Grammatica
Modale werkwoorden: "Devoir, Falloir, Pouvoir, Vouloir"
Belangrijk werkwoord
Cuisiner (koken)
Belangrijk werkwoord
Mettre (zetten)
3. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Recette de gâteau pour la pause au bureau
Woorden om te gebruiken: mettre, farine, mélanger, ingrédients, fait maison, huile, recette, sucre, sel
(Taartrecept voor de koffiepauze op kantoor)
Demain, au bureau, Claire prépare un petit gâteau pour la pause café. Elle regarde une simple sur Internet. Elle doit acheter les ce soir : de la , du , des œufs, du beurre, du et un peu d’ . Elle veut aussi un peu de vanille.
Pour la recette, il faut la farine et le sucre dans un grand bol. Claire met les œufs et le beurre dans un autre bol. Elle doit bien mélanger. Après, elle met le sel et l’huile. Elle peut ajouter des épices si elle veut. Puis elle met le gâteau au four. Au travail, ses collègues sont contents : ils peuvent goûter la cuisine française de Claire.Morgen bereidt Claire op kantoor een zelfgemaakte taart voor de koffiepauze. Ze kijkt naar een eenvoudig recept op internet. Ze moet vanavond de ingrediënten kopen: bloem, suiker, eieren, boter, zout en een beetje olie. Ze wil ook een scheutje vanille toevoegen.
Voor het recept moet je de bloem en de suiker mengen in een grote kom. Claire doet de eieren en de boter in een andere kom. Ze moet goed mengen. Daarna voegt ze het zout en de olie toe. Ze kan kruiden toevoegen als ze dat wil. Vervolgens zet ze de taart in de oven. Op het werk zijn haar collega’s blij: ze kunnen Claires Franse keuken proeven.
-
Quels ingrédients Claire doit-elle acheter pour le gâteau ?
(Welke ingrediënten moet Claire kopen voor de taart?)
-
Qu’est-ce qu’il faut faire avec la farine et le sucre dans la recette ?
(Wat moet je doen met de bloem en de suiker in het recept?)
-
Est-ce que vous aimez cuisiner pour vos collègues ou vos amis ? Pourquoi ?
(Hou je ervan om voor je collega’s of vrienden te koken? Waarom?)
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Pour ce gâteau, je ___ d’abord ___ le sucre et la farine dans un bol.
(Voor deze taart moet ik eerst ___ de suiker en de bloem in een kom doen.)2. Pour cette recette, il ___ couper l’oignon et l’ail très finement.
(Voor dit recept moet men ___ de ui en de knoflook heel fijn snijden.)3. Ce soir, nous ___ cuisiner un plat simple avec du sel, du poivre et un peu d’huile d’olive.
(Vanavond willen we ___ een eenvoudig gerecht klaarmaken met zout, peper en wat olijfolie.)4. Je ___ mettre les épices, mais tu ___ mélanger la sauce.
(Ik ___ de kruiden toevoegen, maar jij ___ de saus mengen.)Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Demander une recette à une collègue
Paul, collègue: Show Claire, samedi j’ai des amis à la maison, tu as une recette facile de cuisine ?
(Claire, zaterdag komen er vrienden bij mij thuis. Heb je een makkelijk recept om te maken?)
Claire, collègue: Show Oui, tu peux faire un gâteau fait maison, avec de la farine, du sucre et un peu d’huile.
(Ja, je kunt een zelfgemaakte taart maken, met bloem, suiker en een beetje olie.)
Paul, collègue: Show D’accord, je dois aussi acheter du sel et du poivre ?
(Oké, moet ik ook zout en peper kopen?)
Claire, collègue: Show Non, pour le gâteau ce n’est pas nécessaire, mais tu dois bien mélanger la pâte.
(Nee, voor de taart is dat niet nodig, maar je moet het beslag goed mengen.)
Open vragen:
1. Qu’est-ce que tu aimes cuisiner à la maison ?
Wat kook jij graag thuis?
2. Dans la recette de Claire, quels ingrédients sont importants ?
Welke ingrediënten zijn belangrijk in Claires recept?
Acheter des ingrédients à l’épicerie
Client: Show Bonjour, je fais de la cuisine ce soir, je cherche de l’huile et des épices.
(Goedendag, ik ga vanavond koken. Ik zoek olie en specerijen.)
Épicier: Show Bonjour, l’huile est ici, et les épices sont là, près du sel et du poivre.
(Goedendag, de olie is hier en de specerijen zijn daar, bij het zout en de peper.)
Client: Show Merci, je prends aussi un oignon et de l’ail pour ma recette.
(Dank je, ik neem ook een ui en wat knoflook voor mijn recept.)
Épicier: Show Très bien, avec ça tu peux faire un bon plat fait maison !
(Prima, daarmee kun je een lekker zelfgemaakt gerecht maken!)
Open vragen:
1. Quels ingrédients le client achète pour cuisiner ?
Welke ingrediënten koopt de klant om te koken?
2. Qu’est-ce que tu dois acheter pour ta cuisine ce soir ?
Wat moet jij vanavond voor je maaltijd kopen?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Tu cuisines avec un collègue pour un petit déjeuner au travail. Tu expliques la recette des crêpes et tu dis quel ingrédient est important. (Utilise : La farine, le sucre, j’ai besoin de…) Réponds comme si tu parlais à ton collègue.
(Je kookt met een collega voor een klein ontbijt op het werk. Je legt het recept van de crêpes uit en je zegt welk ingrediënt belangrijk is. (Gebruik: La farine, le sucre, j’ai besoin de…) Antwoord alsof je tegen je collega praat.)Pour les crêpes,
(Pour les crêpes, ...)Voorbeeld:
Pour les crêpes, j’ai besoin de la farine et un peu de sucre.
(Pour les crêpes, j’ai besoin de la farine et un peu de sucre.)2. Tu es dans un supermarché avec un ami. Tu veux faire un plat fait maison ce soir et tu demandes de l’aide pour choisir une bonne huile. (Utilise : L’huile, fait maison, pour cuisiner) Demande et explique simplement ce que tu veux faire.
(Je bent in een supermarkt met een vriend. Je wilt vanavond een zelfgemaakt gerecht maken en vraagt om hulp bij het kiezen van een goede olie. (Gebruik: L’huile, fait maison, pour cuisiner) Vraag en leg kort uit wat je wilt doen.)Pour mon plat,
(Pour mon plat, ...)Voorbeeld:
Pour mon plat, je prends l’huile d’olive, c’est pour un dîner fait maison.
(Pour mon plat, je prends l’huile d’olive, c’est pour un dîner fait maison.)3. Tu cuisines avec ta famille. Tu regardes la recette sur ton téléphone et tu expliques ce qu’il faut faire maintenant avec les oignons. (Utilise : L’oignon, mélanger, il faut…) Dis ce que tu fais et ce que l’autre personne doit faire.
(Je kookt met je familie. Je kijkt naar het recept op je telefoon en legt uit wat je nu met de uien moet doen. (Gebruik: L’oignon, mélanger, il faut…) Zeg wat je doet en wat de ander moet doen.)Après, il faut
(Après, il faut ...)Voorbeeld:
Après, il faut couper l’oignon et mélanger avec la viande.
(Après, il faut couper l’oignon et mélanger avec la viande.)4. Tu invites des amis chez toi pour le café. Tu expliques un peu ton gâteau et ce que tu mets dedans. (Utilise : Le sucre, les œufs, les épices) Présente ton gâteau à tes amis.
(Je nodigt vrienden bij je thuis uit voor koffie. Je legt kort uit wat voor cake je hebt gemaakt en wat je erin doet. (Gebruik: Le sucre, les œufs, les épices) Presenteer je cake aan je vrienden.)Dans mon gâteau,
(Dans mon gâteau, ...)Voorbeeld:
Dans mon gâteau, il y a du sucre, des œufs et un peu d’épices.
(Dans mon gâteau, il y a du sucre, des œufs et un peu d’épices.)Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen om een eenvoudig gerecht te beschrijven dat je graag kookt en wat je moet kopen om het te bereiden.
Nuttige uitdrukkingen:
Pour cette recette, il faut… / Je dois acheter… / J’aime cuisiner parce que… / D’abord… puis… enfin…
Exercice 7: Gespreksoefening
Instruction:
- Expliquez chaque étape de la préparation des crêpes. (Leg elk stadium van het pannenkoeken bakken uit.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Il est nécessaire de cuire le beurre. Het is noodzakelijk om de boter te koken. |
|
Nous devons ajouter le beurre et le sucre. We moeten de boter en de suiker toevoegen. |
|
Vous devez ajouter l'huile et le beurre au mélange. Je moet de olie en de boter aan het mengsel toevoegen. |
|
Vous devez mélanger les œufs, le lait et le sel. Je moet de eieren, de melk en het zout mengen. |
|
Faites cuire les crêpes dans la poêle. Bak de pannenkoeken in de pan. |
|
Mangez les crêpes, bon appétit ! Eet de pannenkoeken, smakelijk eten! |
| ... |