Décider (beslissen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van décider (beslissen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Décider (beslissen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 1: Voyager : en pleine nature ! (Reizen: op avontuur!)

Les 7: En tant que touriste dans la ville (Als toerist in de stad)

Infinitif Participe passé
Décider (beslissen) décidé (besloten)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') décide ik beslis
(tu) décides jij beslist
(il/elle/on) décide hij/zij/men beslist
(nous) décidons wij beslissen
(vous) décidez jullie beslissen
(ils/elles) décident zij beslissen

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') décidais ik besliste
(tu) décidais jij besloot
(il/elle/on) décidait hij/zij/men besloot
(nous) décidions wij besloten
(vous) décidiez jullie besloten
(ils/elles) décidaient zij beslisten

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') ai décidé ik heb besloten
(tu) as décidé jij hebt besloten
(il/elle/on) a décidé hij/zij/men heeft besloten
(nous) avons décidé we hebben besloten
(vous) avez décidé jullie hebben beslist
(ils/elles) ont décidé zij hebben besloten

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'avais décidé ik had besloten
tu avais décidé jij had beslist
il/elle/on avait décidé hij/zij/men had besloten
nous avions décidé wij hadden besloten
vous aviez décidé u had besloten
ils/elles avaient décidé zij hadden besloten

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') déciderai ik zal beslissen
(tu) décideras jij zult beslissen
(il/elle/on) décidera hij/zij/men zal beslissen
(nous) déciderons wij zullen beslissen
(vous) déciderez jullie zullen beslissen
(ils/elles) décideront zij zullen beslissen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai décidé ik zal besloten hebben
(tu) auras décidé jij zult besloten hebben
(il/elle/on) aura décidé hij/zij/men zal besloten hebben
(nous) aurons décidé wij zullen besloten hebben
(vous) aurez décidé jullie zullen hebben besloten
(ils/elles) auront décidé zij zullen hebben besloten

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') déciderais ik zou beslissen
(tu) déciderais jij zou beslissen
(il/elle/on) déciderait hij/zij/men zou beslissen
(nous) déciderions wij zouden beslissen
(vous) décideriez jullie zouden beslissen
(ils/elles) décideraient zij zouden beslissen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais décidé ik zou hebben besloten
(tu) aurais décidé jij zou hebben besloten
(il/elle/on) aurait décidé hij/zij/men zou hebben besloten
(nous) aurions décidé wij zouden besloten hebben
(vous) auriez décidé u zou hebben besloten
(ils/elles) auraient décidé zij zouden besloten hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') décide ik beslis
(tu) décides jij beslist
(il/elle/on) décide hij/zij/men beslist
(nous) décidions wij beslissen
(vous) décidiez jullie beslissen
(ils/elles) décident zij beslissen

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') aie décidé ik heb besloten
(tu) aies décidé jij hebt besloten
(il/elle/on) ait décidé hij/zij/men heeft besloten
(nous) ayons décidé wij hebben besloten
(vous) ayez décidé jullie hebben beslist
(ils/elles) aient décidé zij hebben besloten

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
décidons! jij besluit
décide! beslis