Déclarer (aangifte doen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van déclarer (aangifte doen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Déclarer (aangifte doen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 2: Société et gouvernement (Maatschappij en overheid)

Les 9: Paperasserie et bureaucratie (Papierwerk en bureaucratie)

Infinitif Participe passé
Déclarer (aangifte doen) déclaré (aangifte gedaan)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') déclare ik doe aangifte
(tu) déclares jij doet aangifte
(il/elle/on) déclare hij/zij/men doet aangifte
(nous) déclarons wij doen aangifte
(vous) déclarez u doet aangifte
(ils/elles) déclarent zij doen aangifte

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') je déclarais / j' déclarais ik deed aangifte
tu déclarais jij deed aangifte
(il/elle/on) il déclarait / elle déclarait / on déclarait hij deed aangifte / zij deed aangifte / men deed aangifte
nous déclarions wij deden aangifte
vous déclariez jullie deden aangifte
(ils/elles) ils déclaraient / elles déclaraient (zij) zij deden aangifte

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') ai déclaré ik heb aangifte gedaan
(tu) as déclaré jij hebt aangifte gedaan
(il/elle/on) a déclaré hij/zij/men heeft aangifte gedaan
(nous) avons déclaré wij hebben aangifte gedaan
(vous) avez déclaré u heeft aangifte gedaan
(ils/elles) ont déclaré zij hebben aangifte gedaan

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'avais déclaré ik had aangifte gedaan
tu avais déclaré jij had aangifte gedaan
il/elle/on avait déclaré hij/zij/men had aangifte gedaan
nous avions déclaré wij hadden aangifte gedaan
vous aviez déclaré u had aangifte gedaan
ils/elles avaient déclaré zij hadden aangifte gedaan

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') déclarerai ik zal aangifte doen
(tu) déclareras jij zult aangifte doen
(il/elle/on) déclarera hij/zij/men zal aangifte doen
(nous) déclarerons wij zullen aangifte doen
(vous) déclarerez u zult aangifte doen
(ils/elles) déclareront zij zullen aangifte doen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') j'aurai déclaré ik zal aangifte hebben gedaan
tu auras déclaré jij zal aangifte hebben gedaan
il/elle/on aura déclaré hij/zij/men zal aangifte hebben gedaan
nous aurons déclaré wij zullen aangifte hebben gedaan
vous aurez déclaré u zult aangifte hebben gedaan
ils/elles auront déclaré zij zullen aangifte hebben gedaan

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') déclarerais ik zou aangifte doen
(tu) déclarerais jij zou aangifte doen
(il/elle/on) déclarerait hij/zij/men zou aangifte doen
(nous) déclarerions wij zouden aangifte doen
(vous) déclareriez u zou aangifte doen
(ils/elles) déclareraient zij zouden aangifte doen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais déclaré ik zou aangifte doen
(tu) aurais déclaré jij zou aangifte doen
(il/elle/on) aurait déclaré hij/zij/men zou aangifte hebben gedaan
(nous) aurions déclaré wij zouden aangifte doen
(vous) auriez déclaré u zou aangifte hebben gedaan
(ils/elles) auraient déclaré zij zouden aangifte doen

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') déclare ik aangifte doe
(tu) déclares jij aangifte doet
(il/elle/on) déclare hij/zij/men aangifte doet
(nous) déclarions wij aangifte doen
(vous) déclariez u aangifte doet
(ils/elles) déclarent zij doen aangifte

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie déclaré ik aangifte heb gedaan
(tu) que tu aies déclaré jij dat je aangifte hebt gedaan
(il/elle/on) qu'il/elle/on ait déclaré hij/zij/men aangifte heeft gedaan
(nous) que nous ayons déclaré wij dat wij aangifte hebben gedaan
(vous) que vous ayez déclaré u heeft aangifte gedaan
(ils/elles) qu'ils/elles aient déclaré zij aangifte gedaan hebben

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Déclare! doe aangifte
Déclarons! u doet aangifte