Donner (geven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van donner (geven) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Donner (geven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 2: Des heures aux saisons (Van uren tot seizoenen)

Les 13: Dire l'heure et lire l'horloge (Hoe laat is het? De klok lezen.)

Infinitif Participe passé
Donner (geven) donné (gegeven)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') donne ik geef
(tu) donnes jij geeft
(il/elle/on) donne hij/zij/men geeft
(nous) donnons wij geven
(vous) donnez u geeft
(ils/elles) donnent zij geven

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') donnais ik gaf
(tu) donnais jij gaf
(il/elle/on) donnait hij/zij/men gaf
(nous) donnions wij gaven
(vous) donniez jullie gaven/u gaf
(ils/elles) donnaient zij gaven

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai donné ik heb gegeven
tu as donné jij hebt gegeven
il/elle/on a donné hij/zij/men heeft gegeven
nous avons donné wij hebben gegeven
vous avez donné u heeft gegeven
ils/elles ont donné zij hebben gegeven

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais donné ik had gegeven
(tu) avais donné jij had gegeven
(il/elle/on) avait donné hij/zij/men had gegeven
(nous) avions donné wij hadden gegeven
(vous) aviez donné jullie hadden gegeven/u had gegeven
(ils/elles) avaient donné zij hadden gegeven

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') donnerai ik zal geven
(tu) donneras jij zult geven
(il/elle/on) donnera hij/zij/men zal geven
(nous) donnerons wij zullen geven
(vous) donnerez jullie zullen geven / u zult geven
(ils/elles) donneront zij zullen geven

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai donné ik zal gegeven hebben
(tu) auras donné jij zult gegeven hebben
(il/elle/on) aura donné hij/zij/men zal gegeven hebben
(nous) aurons donné wij zullen gegeven hebben
(vous) aurez donné u zult gegeven hebben
(ils/elles) auront donné zij zullen gegeven hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') donnerais ik zou geven
(tu) donnerais jij zou geven
(il/elle/on) donnerait hij/zij/men zou geven
(nous) donnerions wij zouden geven
(vous) donneriez u zou geven
(ils/elles) donneraient zij zouden geven

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais donné ik zou gegeven hebben
(tu) aurais donné jij zou gegeven hebben
(il/elle/on) aurait donné hij/zij/men zou gegeven hebben
(nous) aurions donné wij zouden gegeven hebben
(vous) auriez donné u zou gegeven hebben
(ils/elles) auraient donné zij zouden gegeven hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') donne ik geef
(tu) donnes jij geeft
(il/elle/on) donne hij/zij/men geeft
(nous) donnions wij geven
(vous) donniez jullie zouden geven/u zou geven
(ils/elles) donnent zij geven

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie donné ik heb gegeven
(tu) que tu aies donné jij hebt gegeven
(il/elle/on) qu'il/elle/on ait donné hij/zij/het heeft gegeven
(nous) que nous ayons donné wij hebben gegeven
(vous) que vous ayez donné jullie hebben gegeven
(ils/elles) qu'ils/elles aient donné zij hebben gegeven

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Donne! Geef
Donne! Geef