Douter (twijfelen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van douter (twijfelen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Douter (twijfelen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 5: Ménage quotidien (Dagelijks huishouden)

Les 33: Ma propre entreprise (Mijn eigen bedrijf)

Infinitif Participe passé
Douter (twijfelen) douté (getwijfeld)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') doute ik twijfel
(tu) doutes jij twijfelt
(il/elle/on) doute hij/zij/men twijfelt
(nous) doutons wij twijfelen
(vous) doutez u twijfelt
(ils/elles) doutent zij twijfelen

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') doutais ik twijfelde
(tu) doutais jij twijfelde
(il/elle/on) doutait hij/zij/men twijfelde
(nous) doutions wij twijfelden
(vous) doutiez jullie twijfelden
(ils/elles) doutaient zij twijfelden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai douté ik heb getwijfeld
tu as douté jij hebt getwijfeld
il/elle/on a douté hij/zij/men heeft getwijfeld
nous avons douté wij hebben getwijfeld
vous avez douté u hebt getwijfeld
ils/elles ont douté zij hebben getwijfeld

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais douté ik had getwijfeld
(tu) avais douté jij had getwijfeld
(il/elle/on) avait douté hij/zij/men had getwijfeld
(nous) avions douté wij hadden getwijfeld
(vous) aviez douté u had getwijfeld
(ils/elles) avaient douté zij hadden getwijfeld

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') douterai ik zal twijfelen
(tu) douteras jij zult twijfelen
(il/elle/on) doutera hij/zij/men zal twijfelen
(nous) douterons wij zullen twijfelen
(vous) douterez u zult twijfelen
(ils/elles) douteront zij zullen twijfelen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai douté ik zal getwijfeld hebben
(tu) auras douté jij zult getwijfeld hebben
(il/elle/on) aura douté hij/zij/men zal getwijfeld hebben
(nous) aurons douté wij zullen getwijfeld hebben
(vous) aurez douté u zult getwijfeld hebben
(ils/elles) auront douté zij zullen getwijfeld hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') douterais ik zou twijfelen
(tu) douterais jij zou twijfelen
(il/elle/on) douterait hij/zij/men zou twijfelen
(nous) douterions wij zouden twijfelen
(vous) douteriez u zou twijfelen
(ils/elles) douteraient zij zouden twijfelen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais douté ik zou hebben getwijfeld
(tu) aurais douté jij zou getwijfeld hebben
(il/elle/on) aurait douté hij/zij/men zou hebben getwijfeld
(nous) aurions douté wij zouden getwijfeld hebben
(vous) auriez douté U zou getwijfeld hebben
(ils/elles) auraient douté zij zouden getwijfeld hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') doute ik twijfel
(tu) doutes jij twijfelt
(il/elle/on) doute hij twijfelt/zij twijfelt/men twijfelt
(nous) doutions wij twijfelen
(vous) doutiez u twijfelt
(ils/elles) doutent zij twijfelen

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie douté ik heb getwijfeld
(tu) que tu aies douté jij hebt getwijfeld
(il/elle/on) qu'il/elle/on ait douté hij/zij/men heeft getwijfeld
(nous) que nous ayons douté wij dat wij hebben getwijfeld
(vous) que vous ayez douté u hebt getwijfeld
(ils/elles) qu'ils/elles aient douté zij hebben getwijfeld

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Doutons! twijfel
Doute! Jullie twijfelen