Écouter (luisteren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van Écouter (luisteren) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Écouter (luisteren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 3: Projets du week-end (Weekendplannen)

Les 16: Aller à un concert (Naar een concert gaan)

Infinitif Participe passé
Écouter (luisteren) écouté (geluisterd)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') écoute ik luister
(tu) écoutes jij luistert
(il/elle/on) écoute hij/zij/men luistert
(nous) écoutons wij luisteren
(vous) écoutez u luistert
(ils/elles) écoutent zij luisteren

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'écoutais ik luisterde
tu écoutais jij luisterde
il/elle/on écoutait hij/zij/men luisterde
nous écoutions wij luisterden
vous écoutiez jullie luisterden/u luisterde
ils/elles écoutaient zij luisterden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai écouté ik heb geluisterd
tu as écouté jij hebt geluisterd
il/elle/on a écouté hij/zij/men heeft geluisterd
nous avons écouté wij hebben geluisterd
vous avez écouté u hebt geluisterd
ils/elles ont écouté zij hebben geluisterd

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais écouté ik had geluisterd
(tu) avais écouté jij had geluisterd
(il/elle/on) avait écouté hij/zij/men had geluisterd
(nous) avions écouté wij hadden geluisterd
(vous) aviez écouté jullie hadden geluisterd
(ils/elles) avaient écouté zij hadden geluisterd

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') écouterai ik zal luisteren
(tu) écouteras jij zult luisteren
(il/elle/on) écoutera hij/zij/men zal luisteren
(nous) écouterons wij zullen luisteren
(vous) écouterez u zult luisteren
(ils/elles) écouteront zij zullen luisteren

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai écouté ik zal geluisterd hebben
(tu) auras écouté jij zult geluisterd hebben
(il/elle/on) aura écouté hij/zij/men zal geluisterd hebben
(nous) aurons écouté wij zullen geluisterd hebben
(vous) aurez écouté u zult geluisterd hebben
(ils/elles) auront écouté zij zullen geluisterd hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') écouterais ik zou luisteren
(tu) écouterais jij zou luisteren
(il/elle/on) écouterait hij/zij/men zou luisteren
(nous) écouterions wij zouden luisteren
(vous) écouteriez u zou luisteren
(ils/elles) écouteraient zij zouden luisteren

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais écouté ik zou hebben geluisterd
(tu) aurais écouté jij zou hebben geluisterd
(il/elle/on) aurait écouté hij/zij/men zou geluisterd hebben
(nous) aurions écouté wij zouden geluisterd hebben
(vous) auriez écouté u zou geluisterd hebben
(ils/elles) auraient écouté zij zouden geluisterd hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') écoute ik luister
(tu) écoutes jij luistert
(il/elle/on) écoute hij/zij/men luistert
(nous) écoutions wij luisteren
(vous) écoutiez jullie luisterden
(ils/elles) écoutent zij luisteren

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie écouté ik heb geluisterd
(tu) que tu aies écouté jij hebt geluisterd
(il/elle/on) qu'il/elle/on ait écouté hij/zij/men heeft geluisterd
(nous) que nous ayons écouté wij hebben geluisterd
(vous) que vous ayez écouté jullie/zouden hebben geluisterd
(ils/elles) qu'ils/elles aient écouté (zij) dat zij geluisterd hebben

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Écoutons! luister
Écoute! luister