Expliquer (uitleggen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van expliquer (uitleggen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Expliquer (uitleggen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 6: Au travail (Op het werk)

Les 38: Entretien d'embauche (Sollicitatiegesprek)

Infinitif Participe passé
Expliquer (uitleggen) expliqué (uitleggen)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') indicatif présent ik leg uit
(tu) explique jij legt uit
(il/elle/on) expliques hij/zij/men legt uit
(nous) explique wij leggen uit
(vous) expliquons u legt uit
(ils/elles) expliquez zij leggen uit

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') expliquais ik legde uit
(tu) expliquais jij legde uit
(il/elle/on) expliquait hij/zij/men legde uit
(nous) expliquions wij legden uit
(vous) expliquiez u legde uit
(ils/elles) expliquaient zij legden uit

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') ai expliqué ik heb uitgelegd
(tu) as expliqué jij hebt uitgelegd
(il/elle/on) a expliqué hij/zij/men heeft uitgelegd
(nous) avons expliqué wij hebben uitgelegd
(vous) avez expliqué u hebt uitgelegd
(ils/elles) ont expliqué zij hebben uitgelegd

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais expliqué ik had uitgelegd
(tu) avais expliqué jij had uitgelegd
(il/elle/on) avait expliqué hij/zij/men had uitgelegd
(nous) avions expliqué wij hadden uitgelegd
(vous) aviez expliqué u had uitgelegd
(ils/elles) avaient expliqué zij hadden uitgelegd

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') expliquerai ik zal uitleggen
(tu) expliqueras jij zult uitleggen
(il/elle/on) expliquera hij/zij/men zal uitleggen
(nous) expliquerons wij zullen uitleggen
(vous) expliquerez u zult uitleggen
(ils/elles) expliqueront zij zullen uitleggen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai expliqué ik zal uitgelegd hebben
(tu) auras expliqué jij zult uitgelegd hebben
(il/elle/on) aura expliqué hij/zij/men zal uitgelegd hebben
(nous) aurons expliqué wij zullen uitgelegd hebben
(vous) aurez expliqué jullie/zullen hebben uitgelegd
(ils/elles) auront expliqué zij zullen uitgelegd hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') expliquerais ik zou uitleggen
(tu) expliquerais jij zou uitleggen
(il/elle/on) expliquerait hij/zij/men zou uitleggen
(nous) expliquerions wij zouden uitleggen
(vous) expliqueriez u zou uitleggen
(ils/elles) expliqueraient zij zouden uitleggen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais expliqué ik zou uitgelegd hebben
(tu) aurais expliqué jij zou hebben uitgelegd
(il/elle/on) aurait expliqué hij/zij/men zou hebben uitgelegd
(nous) aurions expliqué wij zouden hebben uitgelegd
(vous) auriez expliqué u zou uitgelegd hebben
(ils/elles) auraient expliqué zij zouden hebben uitgelegd

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') explique ik uitleg
(tu) expliques jij uitleggen
(il/elle/on) explique hij/zij/men uitlegt
(nous) expliquions wij uitleggen
(vous) expliquiez u legt uit
(ils/elles) expliquent zij leggen uit

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') aie expliqué ik heb uitgelegd
(tu) aies expliqué jij hebt uitgelegd
(il/elle/on) ait expliqué hij/zij/men heeft uitgelegd
(nous) ayons expliqué wij hebben uitgelegd
(vous) ayez expliqué u hebt uitgelegd
(ils/elles) aient expliqué zij hebben uitgelegd

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Explique jij/u uitleggen
Expliquons u legt uit
Expliquez zij/uitleggen