Fermer (sluiten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van fermer (sluiten) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Fermer (sluiten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 5: À la maison (Thuis)

Les 31: Notre maison (Ons huis)

Infinitif Participe passé
Fermer (sluiten) fermé (gesloten)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je ferme ik sluit
tu fermes jij sluit
il/elle/on ferme hij/zij/het sluit
nous fermons wij sluiten
vous fermez jullie sluiten/u sluit
ils/elles ferment zij sluiten

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') fermais ik sloot
(tu) fermais jij sloot
(il/elle/on) fermait hij/zij/men sloot
(nous) fermions wij sloten
(vous) fermiez jullie sloten/u sloot
(ils/elles) fermaient zij sloten

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai fermé ik heb gesloten
tu as fermé jij hebt gesloten
il/elle/on a fermé hij/zij/men heeft gesloten
nous avons fermé wij hebben gesloten
vous avez fermé u heeft gesloten
ils/elles ont fermé zij hebben gesloten

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'avais fermé ik had gesloten
tu avais fermé jij had gesloten
il/elle/on avait fermé hij/zij/men had gesloten
nous avions fermé wij hadden gesloten
vous aviez fermé u had gesloten
ils/elles avaient fermé zij hadden gesloten

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') fermerai ik zal sluiten
(tu) fermeras jij zult sluiten
(il/elle/on) fermera hij/zij/men sluit
(nous) fermerons wij sluiten
(vous) fermerez jullie zullen sluiten
(ils/elles) fermeront zij zullen sluiten

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai fermé ik zal gesloten hebben
(tu) auras fermé jij zult gesloten hebben
(il/elle/on) aura fermé hij/zij/men zal gesloten hebben
(nous) aurons fermé wij zullen gesloten hebben
(vous) aurez fermé u zult gesloten hebben
(ils/elles) auront fermé zij zullen gesloten hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') fermerais ik zou sluiten
(tu) fermerais jij zou sluiten
(il/elle/on) fermerait hij/zij/men zou sluiten
(nous) fermerions wij zouden sluiten
(vous) fermeriez u zou sluiten
(ils/elles) fermeraient zij zouden sluiten

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais fermé ik zou gesloten hebben
(tu) aurais fermé jij zou sluiten
(il/elle/on) aurait fermé hij/zij/men zou gesloten hebben
(nous) aurions fermé wij zouden gesloten hebben
(vous) auriez fermé u zou gesloten hebben
(ils/elles) auraient fermé zij zouden gesloten hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') que je ferme ik sluit
(tu) que tu fermes jij sluit
(il/elle/on) qu'il/elle/on ferme hij/zij/het sluit
(nous) que nous fermions wij sluiten
(vous) que vous fermiez jullie sluiten
(ils/elles) qu'ils/elles ferment zij sluiten

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que je ferme sois fermé / fermée ik/sluit ik ben gesloten
(tu) que tu fermes sois fermé / fermée jij dat jij gesloten bent
(il/elle/on) qu’il ferme soit fermé / fermée hij/zij/men het gesloten heeft
(nous) que nous fermions soyons fermés / fermées wij dat wij gesloten waren zijn gesloten
(vous) que vous fermiez soyez fermés / fermées jullie zouden gesloten zijn
(ils/elles) qu’ils ferment soient fermés / fermées zij dat zij gesloten zijn

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Ferme! sluit
Fermons! Sluit u