Habiter (wonen)

Habiter (wonen)

Leer het werkwoord "wonen" te vervoegen in het Frans: tegenwoordige tijd, aantonende wijs

Present, indicatif (Présent, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Habiter (wonen)

D'où venez-vous? (Waar kom je vandaan?)

Frans
(je/j') j'habite
tu habites
il/elle/on habite
nous habitons
vous habitez
ils/elles habitent