Mettre (zetten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van mettre (zetten) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Mettre (zetten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 4: Décrire des objets et des personnes (Objecten en mensen beschrijven)

Les 23: Apparence physique (Fysiek en uiterlijk)

Infinitif Participe passé
Mettre (zetten) mis (gezet)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je/ j' mets ik zet/j zet
tu mets jij zet
il/elle/on met hij/zij/men zet
nous mettons wij zetten
vous mettez jullie zetten/u zet
ils/elles mettent zij zetten

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') mettais ik zette
(tu) mettais jij zette
(il/elle/on) mettait hij/zij/men zette
(nous) mettions wij zetten
(vous) mettiez jullie zetten/u zette
(ils/elles) mettaient zij zetten

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai mis ik heb gezet
tu as mis jij hebt gezet
il/elle/on a mis hij/zij/men heeft gezet
nous avons mis wij hebben gezet
vous avez mis u hebt gezet
ils/elles ont mis zij hebben gezet

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais mis ik had gezet
(tu) avais mis jij had gezet
(il/elle/on) avait mis hij/zij/men had gezet
(nous) avions mis wij hadden gezet
(vous) aviez mis u had gezet
(ils/elles) avaient mis zij hadden gezet

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') je mettrai ik zal zetten
tu mettras jij zult zetten
il/elle/on mettra hij/zij/men zal zetten
nous mettrons wij zullen zetten
vous mettrez jullie zullen zetten/u zult zetten
ils/elles mettront zij zullen zetten

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai mis ik zal gezet hebben
(tu) auras mis jij zult gezet hebben
(il/elle/on) aura mis hij/zij/men zal gezet hebben
(nous) aurons mis wij zullen gezet hebben
(vous) aurez mis u zult gezet hebben
(ils/elles) auront mis zij zullen gezet hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') mettrais ik zou zetten
(tu) mettrais jij zou zetten
(il/elle/on) mettrait hij/zij/men zou zetten
(nous) mettrions wij zouden zetten
(vous) mettriez u zou zetten
(ils/elles) mettraient zij zouden zetten

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais mis ik zou gezet hebben
(tu) aurais mis jij zou hebben gezet
(il/elle/on) aurait mis hij/zij/men zou hebben gezet
(nous) aurions mis wij zouden gezet hebben
(vous) auriez mis u zou gezet hebben
(ils/elles) auraient mis zij zouden gezet hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') que je mette ik zet
(tu) que tu mettes dat jij zet
(il/elle/on) qu'il/elle/on mette hij/zij/men zet
(nous) que nous mettions wij zetten
(vous) que vous mettiez jullie zetten
(ils/elles) qu'ils/elles mettent zij zetten

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') aie mis ik heb gezet
(tu) aies mis jij zou gezet hebben
(il/elle/on) ait mis hij/zij/men gezet heeft
(nous) ayons mis wij hebben gezet
(vous) ayez mis jullie hebben gezet
(ils/elles) aient mis zij hebben gezet

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
N/A jij zou zetten
Mets! zet u