Monter (opstijgen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van monter (instappen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Monter (opstijgen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 6: La ville et le village (De stad en het dorp)

Les 42: Transport (Transport)

Infinitif Participe passé
Monter (instappen) monté (ben ingestapt)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') monte ik stijg op
(tu) montes jij stijgt op
(il/elle/on) monte hij/zij/men stijgt op
(nous) montons wij stijgen op
(vous) montez u stijgt op
(ils/elles) montent zij stijgen op

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') montais ik steeg op
(tu) montais jij steeg op
(il/elle/on) montait hij/zij/men steeg op
(nous) montions wij opstegen
(vous) montiez jullie stegen op
(ils/elles) montaient zij stegen op

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') je suis monté / je suis montée ik ben opgestegen
tu es monté / tu es montée jij bent opgestegen
(il/elle/on) il est monté / elle est montée / on est monté hij is opgestegen / zij is opgestegen / men is opgestegen
nous sommes montés / nous sommes montées wij zijn opgestegen
vous êtes monté / vous êtes montée / vous êtes montés / vous êtes montées jullie zijn opgestegen
(ils/elles) ils sont montés / elles sont montées zij zijn opgestegen

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'étais monté / montée ik was opgestegen
tu étais monté / montée jij was opgestegen
il/elle/on était monté / montée hij/zij/men was opgeklommen
nous étions montés / montées wij waren opgestegen
vous étiez monté / montée / montés / montées jullie waren opgestegen / u was opgestegen
ils/elles étaient montés / montées zij waren opgestegen

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') monterai ik zal opstijgen
(tu) monteras jij zult opstijgen
(il/elle/on) montera hij/zij/men zal opstijgen
(nous) monterons wij zullen opstijgen
(vous) monterez jullie zullen opstijgen
(ils/elles) monteront zij zullen opstijgen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') je serai monté / je serai montée ik zal zijn opgestegen
tu seras monté / tu seras montée jij zult zijn opgestegen
(il/elle/on) il sera monté / elle sera montée / on sera monté(e) hij zal zijn opgestegen / zij zal zijn opgestegen / men zal zijn opgestegen
nous serons montés / nous serons montées wij zullen zijn opgestegen
vous serez monté(s) / vous serez montée(s) jullie zullen zijn opgestegen / u zult zijn opgestegen
(ils/elles) ils seront montés / elles seront montées zij zullen zijn opgestegen

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') monterais ik zou opstijgen
(tu) monterais jij zou opstijgen
(il/elle/on) monterait hij/zij/men zou opstijgen
(nous) monterions wij zouden opstijgen
(vous) monteriez jullie zouden opstijgen
(ils/elles) monteraient zij zouden opstijgen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') serais monté / serais montée ik zou zijn opgestegen
(tu) serais monté / serais montée jij zou zijn opgestegen
(il/elle/on) serait monté / serait montée / serait monté hij/zij/men zou zijn opgestegen
(nous) serions montés / serions montées wij zouden zijn opgestegen
(vous) seriez monté / seriez montée / seriez montés / seriez montées jullie zouden zijn opgestegen / u zou zijn opgestegen
(ils/elles) seraient montés / seraient montées zij zouden zijn opgestegen

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') monte ik opstijg
(tu) montes tu opstijg
(il/elle/on) monte hij/zij/men opstijge
(nous) montions wij opstijgen
(vous) montiez jij/u opstijgt
(ils/elles) montent zij stijgen op

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que je sois monté / que je me sois monté ik dat ik was opgestegen / dat ik mezelf was opgestegen
(tu) que tu sois monté / que tu te sois monté jij dat jij bent opgestegen / dat jij jezelf hebt opgestegen
(il/elle/on) qu'il soit monté / qu'elle soit montée / qu'on soit monté hij/zij/men zou zijn opgestegen
(nous) que nous soyons montés / que nous nous soyons montés wij dat wij zijn opgestegen / dat wij ons zijn opgestegen
(vous) que vous soyez montés / que vous vous soyez montés jij/jullie bent opgestegen
(ils/elles) qu'ils soient montés / qu'elles soient montées zij zijn opgestegen

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
N/A jij opstijg
Monte! U stijg op