Nourrir (voeden) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van nourrir (voeden) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Nourrir (voeden) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 3: Projets du week-end (Weekendplannen)

Les 20: Sortie en famille au zoo (Familie-uitje naar de dierentuin)

Infinitif Participe passé
Nourrir (voeden) nourri (gevoed)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je nourris ik voed
tu nourris jij voedt
il/elle/on nourrit hij/zij/men voedt
nous nourrissons wij voeden
vous nourrissez u voedt
ils/elles nourrissent zij voeden

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') nourrissais ik voedde
(tu) nourrissais jij voedde
(il/elle/on) nourrissait hij/zij/men voedde
(nous) nourrissions wij voedden
(vous) nourrissiez jullie voedden
(ils/elles) nourrissaient zij voedden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai nourri ik heb gevoed
tu as nourri jij hebt gevoed
il/elle/on a nourri hij/zij/men heeft gevoed
nous avons nourri wij hebben gevoed
vous avez nourri u heeft gevoed
ils/elles ont nourri zij hebben gevoed

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais nourri ik had gevoed
(tu) avais nourri jij had gevoed
(il/elle/on) avait nourri hij/zij/men had gevoed
(nous) avions nourri wij hadden gevoed
(vous) aviez nourri u had gevoed
(ils/elles) avaient nourri zij hadden gevoed

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') nourrirai ik zal voeden
(tu) nourriras jij zult voeden
(il/elle/on) nourrira hij/zij/men zal voeden
(nous) nourrirons wij zullen voeden
(vous) nourrirez jullie zullen voeden
(ils/elles) nourriront zij zullen voeden

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') j'aurai nourri ik zal gevoed hebben
tu auras nourri jij zult gevoed hebben
il/elle/on aura nourri hij/zij/men zal gevoed hebben
nous aurons nourri wij zullen gevoed hebben
vous aurez nourri u zult gevoed hebben
ils/elles auront nourri zij zullen gevoed hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') nourrirais ik zou voeden
(tu) nourrirais jij zou voeden
(il/elle/on) nourrirait hij/zij/men zou voeden
(nous) nourririons wij zouden voeden
(vous) nourririez jullie zouden voeden
(ils/elles) nourriraient zij zouden voeden

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais nourri ik zou gevoed hebben
(tu) aurais nourri jij zou gevoed hebben
(il/elle/on) aurait nourri hij/zij/men zou gevoed hebben
(nous) aurions nourri wij zouden gevoed hebben
(vous) auriez nourri u zou gevoed hebben
(ils/elles) auraient nourri zij zouden gevoed hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') nourrisse ik voed
(tu) nourrisses jij voedt
(il/elle/on) nourrisse hij/zij/men voede
(nous) nourrissions wij voeden
(vous) nourrissiez jullie voeden
(ils/elles) nourrissent zij voeden

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') aie nourri ik heb gevoed
(tu) aies nourri jij hebt gevoed
(il/elle/on) ait nourri hij/zij/men heeft gevoed
(nous) ayons nourri wij hebben gevoed
(vous) ayez nourri jullie hebben gevoed
(ils/elles) aient nourri zij hebben gevoed

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Nourris! jij voed
Nourris! jij voed