Partir (vertrekken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van partir (vertrekken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Partir (vertrekken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 1: Voyager : en pleine nature ! (Reizen: op avontuur!)

Les 1: Des plans de vacances (Vakantieplannen)

Infinitif Participe passé
Partir (Vertrekken) parti (vertrokken)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') pars ik vertrek
(tu) pars jij vertrekt
(il/elle/on) part hij/zij/men vertrekt
(nous) partons wij vertrekken
(vous) partez u vertrekt
(ils/elles) partent zij vertrekken

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') partais ik vertrok
(tu) partais jij vertrok
(il/elle/on) partait hij/zij/men vertrok
(nous) partions wij vertrokken
(vous) partiez jullie vertrokken/u vertrok
(ils/elles) partaient zij vertrokken

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') je suis parti / je suis partie ik ben vertrokken
tu es parti / tu es partie jij bent vertrokken / jij bent vertrokken
(il/elle/on) il est parti / elle est partie / on est parti(e)s hij is vertrokken / zij is vertrokken / wij zijn vertrokken
nous sommes partis / nous sommes parties wij zijn vertrokken
vous êtes partis / vous êtes parties jullie zijn vertrokken / u bent vertrokken
(ils/elles) ils sont partis / elles sont parties zij zijn vertrokken

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'étais parti / j'étais partie ik was vertrokken
tu étais parti / tu étais partie jij was vertrokken / jij was vertrokken
(il/elle/on) il était parti / elle était partie / on était parti(e)s hij was vertrokken / zij was vertrokken / men was vertrokken
nous étions partis / nous étions parties wij waren vertrokken
vous étiez partis / vous étiez parties u was vertrokken / u was vertrokken
(ils/elles) ils étaient partis / elles étaient parties zij waren vertrokken

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') je partirai ik zal vertrekken
tu partiras jij zult vertrekken
il/elle/on partira hij/zij/men zal vertrekken
nous partirons wij zullen vertrekken
vous partirez u zult vertrekken
ils/elles partiront zij zullen vertrekken

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') serai parti/partie ik zal vertrokken zijn
(tu) seras parti/partie jij zal vertrokken zijn
(il/elle/on) sera parti/partie hij/zij/men zal vertrokken zijn
(nous) serons partis/parties wij zullen vertrokken zijn
(vous) serez partis/parties jullie zullen vertrokken zijn
(ils/elles) seront partis/parties zij zullen vertrokken zijn

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') partirais ik zou vertrekken
(tu) partirais jij zou vertrekken
(il/elle/on) partirait hij/zij/men zou vertrekken
(nous) partirions wij zouden vertrekken
(vous) partiriez u zou vertrekken
(ils/elles) partiraient zij zouden vertrekken

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') serais parti/partie ik zou zijn vertrokken
(tu) serais parti/partie je zou zijn vertrokken
(il/elle/on) serait parti/partie hij/zij/men zou zijn vertrokken
(nous) serions partis/parties wij zouden zijn vertrokken
(vous) seriez partis/parties u zou zijn vertrokken
(ils/elles) seraient partis/parties zij zouden zijn vertrokken

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') parte ik vertrek
(tu) partes jij vertrekt
(il/elle/on) parte hij/zij/men vertrekt
(nous) partions wij vertrekken
(vous) partiez u vertrekt
(ils/elles) partent zij vertrekken

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que je sois parti/partie ik ben vertrokken
(tu) que tu sois parti/partie jij bent vertrokken
(il/elle/on) qu'il soit parti/qu'elle soit partie/qu'on soit parti hij/zij/men is vertrokken
(nous) que nous soyons partis/parties wij dat wij vertrokken zijn
(vous) que vous soyez partis/parties jullie zijn vertrokken
(ils/elles) qu'ils soient partis/qu'elles soient parties zij dat ze vertrokken zijn

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Pars! jij vertrekt
Partons! Vertrek