Planifier (plannen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van planifier (plannen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Planifier (plannen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 2: Des heures aux saisons (Van uren tot seizoenen)

Les 9: Jours de la semaine et parties de la journée (Dagen van de week en dagdelen)

Infinitif Participe passé
Planifier (plannen) planifié (gepland)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') planifie ik plan
(tu) planifies jij plant
(il/elle/on) planifie hij/zij/men plant
(nous) planifions wij plannen
(vous) planifiez u plant
(ils/elles) planifient zij plannen

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') planifiais ik plande
(tu) planifiais jij plande
(il/elle/on) planifiait hij/zij/men plande
(nous) planifiions we planden
(vous) planifiiez jullie planden
(ils/elles) planifiaient zij planden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai planifié ik heb gepland
tu as planifié jij hebt gepland
il/elle/on a planifié hij/zij/men heeft gepland
nous avons planifié wij hebben gepland
vous avez planifié u hebt gepland
ils/elles ont planifié zij hebben gepland

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais planifié ik had gepland
(tu) avais planifié jij had gepland
(il/elle/on) avait planifié hij/zij/men had gepland
(nous) avions planifié wij hadden gepland
(vous) aviez planifié jullie hadden gepland
(ils/elles) avaient planifié zij hadden gepland

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') planifierai ik zal plannen
(tu) planifieras jij zult plannen
(il/elle/on) planifiera hij/zij/men zal plannen
(nous) planifierons wij zullen plannen
(vous) planifierez jullie zullen plannen
(ils/elles) planifieront zij zullen plannen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai planifié ik zal gepland hebben
(tu) auras planifié jij zult gepland hebben
(il/elle/on) aura planifié hij/zij/men zal gepland hebben
(nous) aurons planifié wij zullen gepland hebben
(vous) aurez planifié jullie zullen gepland hebben
(ils/elles) auront planifié zij zullen gepland hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') planifierais ik zou plannen
(tu) planifierais jij zou plannen
(il/elle/on) planifierait hij/zij/men zou plannen
(nous) planifierions wij zouden plannen
(vous) planifieriez u zou plannen
(ils/elles) planifieraient zij zouden plannen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais planifié ik zou gepland hebben
(tu) aurais planifié jij zou hebben gepland
(il/elle/on) aurait planifié hij/zij/men zou gepland hebben
(nous) aurions planifié wij zouden gepland hebben
(vous) auriez planifié u zou gepland hebben
(ils/elles) auraient planifié zij zouden gepland hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') planifie ik plan
(tu) planifies jij plant
(il/elle/on) planifie hij/zij/men plant
(nous) planifiions wij plannen
(vous) planifiiez jullie plannen
(ils/elles) planifient zij plannen

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') aie planifié ik heb gepland
(tu) aies planifié jij hebt gepland
(il/elle/on) ait planifié hij/zij/men heeft gepland
(nous) ayons planifié wij hebben gepland
(vous) ayez planifié u hebt gepland
(ils/elles) aient planifié zij hebben gepland

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Planifie! plan jij
Planifions! Plan jullie