Se promener (wandelen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van se promener (wandelen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Se promener (wandelen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 3: Projets du week-end (Weekendplannen)

Les 20: Sortie en famille au zoo (Familie-uitje naar de dierentuin)

Infinitif Participe passé
Se promener (wandelen) promené (gewandeld)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je me promène ik wandel
tu te promènes jij wandelt
il/elle/on se promène hij/zij/men wandelt
nous nous promenons wij wandelen
vous vous promenez jullie wandelen/u wandelt
ils/elles se promènent zij wandelen

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') je me promenais ik wandelde
tu te promenais jij wandelde
il/elle/on se promenait hij/zij/men wandelde
nous nous promenions wij wandelden
vous vous promeniez u wandelde
ils/elles se promenaient zij wandelden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') me suis promené(e)/me suis promené/me suis promenée ik ben gaan wandelen
(tu) t'es promené(e)/t'es promené/t'es promenée jij bent gewandeld
(il/elle/on) s'est promené(e)/s'est promené/s'est promenée hij/zij/men is gewandeld
nous sommes promené(e)s/nous sommes promenés/nous sommes promenées we zijn gewandeld
vous êtes promené(e)(s)/vous êtes promené(s)/vous êtes promenée(s) u bent gewandeld
(ils/elles) se sont promené(e)s/se sont promenés/se sont promenées zij zijn gaan wandelen

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') je m'étais promené / je m'étais promenée ik was gaan wandelen
tu t'étais promené / tu t'étais promenée jij was gaan wandelen
(il/elle/on) il s'était promené / elle s'était promenée / on s'était promené hij was gaan wandelen / zij was gaan wandelen / men was gaan wandelen
nous nous étions promenés / nous nous étions promenées wij waren gaan wandelen
vous vous étiez promenés / vous vous étiez promenées jullie waren gaan wandelen
(ils/elles) ils s'étaient promenés / elles s'étaient promenées (zij) zij hadden gewandeld

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') me promènerai ik zal wandelen
(tu) te promèneras jij zult wandelen
(il/elle/on) se promènera hij/zij/men zal wandelen
nous promènerons wij zullen wandelen
vous promènerez u zult wandelen
(ils/elles) se promèneront zij zullen wandelen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') me serai promené / me serai promenée ik zal gewandeld hebben
(tu) te seras promené / te seras promenée jij zult gewandeld hebben
(il/elle/on) se sera promené / se sera promenée hij zal gewandeld hebben / zij zal gewandeld hebben / men zal gewandeld hebben
nous serons promenés / nous serons promenées wij zullen gewandeld zijn
vous serez promenés / vous serez promenées u zult wandelen
(ils/elles) se seront promenés / se seront promenées zij zullen gewandeld hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') je me promènerais ik zou wandelen
tu te promènerais jij zou wandelen
il/elle/on se promènerait hij/zij/men zou wandelen
nous nous promènerions wij zouden wandelen
vous vous promèneriez jullie zouden wandelen
ils/elles se promèneraient zij zouden wandelen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') je me serais promené/je me serais promenée ik zou gewandeld hebben
tu te serais promené/tu te serais promenée jij zou wandelen
(il/elle/on) il se serait promené/elle se serait promenée/on se serait promené hij zou hebben gewandeld/zij zou hebben gewandeld/men zou hebben gewandeld
nous nous serions promenés/nous nous serions promenées wij zouden hebben gewandeld
vous vous seriez promené/vous vous seriez promenée/vous vous seriez promenés/vous vous seriez promenées jullie zouden gewandeld hebben
(ils/elles) ils se seraient promenés/elles se seraient promenées zij zouden gewandeld hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') que je me promène / que j’me promène ik wandel
(tu) que tu te promènes dat jij wandelt
(il/elle/on) qu’il/elle/on se promène hij/zij/men dat hij/zij/men wandelt
(nous) que nous nous promenions wij wandelen
(vous) que vous vous promeniez u wandelt
(ils/elles) qu’ils/elles se promènent zij wandelen

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que je me sois promené(e) ik ben gewandeld
(tu) que tu te sois promené(e) jij bent/wijst gelopen
(il/elle/on) qu'il/elle/on se soit promené(e) hij/zij/men zou hebben gewandeld
(nous) que nous nous soyons promené(e)s wij zijn gaan wandelen
(vous) que vous vous soyez promené(e)(s) jullie zijn gewandeld / u bent gewandeld
(ils/elles) qu'ils/elles se soient promené(e)s (zij) dat zij gewandeld hebben

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Promenons-nous! Loop jij/wandel jij
Promène-toi! Wandelt