Travailler (werken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van travailler (werken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Travailler (werken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 1: Se présenter (Jezelf voorstellen)

Les 7: Métiers et études (Beroepen en studies)

Infinitif Participe passé
Travailler (werken) travaillé (werkte)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je travaille ik werk
tu travailles jij werkt
(il/elle/on) il travaille / elle travaille / on travaille hij werkt / zij werkt / men werkt
nous travaillons wij werken
vous travaillez u werkt
(ils/elles) ils travaillent / elles travaillent (zij) zij werken

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') travaillais ik werkte
(tu) travaillais jij werkte
(il/elle/on) travaillait hij/zij/men werkte
(nous) travaillions wij werkten
(vous) travailliez jullie werkten/u werkte
(ils/elles) travaillaient zij werkten

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai travaillé ik heb gewerkt
tu as travaillé jij hebt gewerkt
il/elle/on a travaillé hij/zij/men heeft gewerkt
nous avons travaillé wij hebben gewerkt
vous avez travaillé u hebt gewerkt
ils/elles ont travaillé zij hebben gewerkt

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'avais travaillé ik had gewerkt
tu avais travaillé jij had gewerkt
il/elle/on avait travaillé hij/zij/men had gewerkt
nous avions travaillé wij hadden gewerkt
vous aviez travaillé u had gewerkt
ils/elles avaient travaillé zij hadden gewerkt

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') travaillerai ik zal werken
(tu) travailleras jij zult werken
(il/elle/on) travaillera hij/zij/men zal werken
(nous) travaillerons wij zullen werken
(vous) travaillerez jullie zullen werken
(ils/elles) travailleront zij zullen werken

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai travaillé ik zal gewerkt hebben
(tu) auras travaillé jij zult gewerkt hebben
(il/elle/on) aura travaillé hij/zij/men zal gewerkt hebben
(nous) aurons travaillé wij zullen gewerkt hebben
(vous) aurez travaillé jullie zullen gewerkt hebben
(ils/elles) auront travaillé zij zullen gewerkt hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') je travaillerais ik zou werken
tu travaillerais jij zou werken
il/elle/on travaillerait hij/zij/men zou werken
nous travaillerions wij zouden werken
vous travailleriez u zou werken
ils/elles travailleraient zij zouden werken

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais travaillé ik zou gewerkt hebben
(tu) aurais travaillé jij zou gewerkt hebben
(il/elle/on) aurait travaillé hij/zij/men zou gewerkt hebben
(nous) aurions travaillé wij zouden gewerkt hebben
(vous) auriez travaillé u zou gewerkt hebben
(ils/elles) auraient travaillé zij zouden gewerkt hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') travaille je werk
(tu) travailles jij werkt
(il/elle/on) travaille hij/zij/men werkt
(nous) travaillions wij werken
(vous) travailliez u werkte
(ils/elles) travaillent zij werken

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie travaillé ik heb gewerkt
(tu) que tu aies travaillé jij hebt gewerkt
(il/elle/on) qu'il/elle/on ait travaillé hij/zij/het heeft gewerkt
(nous) que nous ayons travaillé wij dat wij gewerkt hebben
(vous) que vous ayez travaillé jullie hebben gewerkt
(ils/elles) qu'ils/elles aient travaillé zij hebben gewerkt

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
werk
Travaille! werk