Piangere (huilen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van piangere (huilen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Piangere (huilen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 4: Descrivere oggetti e persone (Objecten en mensen beschrijven)

Les 25: Emozioni e sentimenti (Emoties en gevoelens)

Infinito Participio passato
Piangere (huilen) Pianto (gehuild)

Werkwoordstijden

Indicativo

Presente 

Italiaans Nederlands
(io) piango ik huil
(tu) piangi jij huilt
(lui/lei) piange hij/zij huilt
(noi) piangiamo wij huilen
(voi) piangete jullie huilen
(loro) piangono zij huilen

Imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) piangevo ik huilde
(tu) piangevi jij huilde
(lui/lei) piangeva hij/zij huilde
(noi) piangevamo wij huilden
(voi) piangevate jullie huilden
(loro) piangevano zij huilden

Passato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) ho pianto ik heb gehuild
(tu) hai pianto jij hebt gehuild
(lui/lei) ha pianto hij/zij heeft gehuild
(noi) abbiamo pianto wij hebben gehuild
(voi) avete pianto jullie hebben gehuild
(loro) hanno pianto zij hebben gehuild

Trapassato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) ero pianto/avevo pianto ik had gehuild
(tu) eri pianto/avevi pianto jij had gehuild
(lui/lei) era pianto/aveva pianto hij/zij had gehuild
(noi) eravamo pianti/avevamo pianti wij hadden gehuild
(voi) eravate pianti/avevate pianti jullie hadden gehuild
(loro) erano pianti/avevano pianti zij hadden gehuild

Futuro semplice 

Italiaans Nederlands
(io) piangerò ik zal huilen
(tu) piangerai jij zult huilen
(lui/lei) piangerà hij/zij zal huilen
(noi) piangeremo wij zullen huilen
(voi) piangerete jullie zullen huilen
(loro) piangeranno zij zullen huilen

Futuro anteriore 

Italiaans Nederlands
(io) avrò pianto ik zal gehuild hebben
(tu) avrai pianto jij zult gehuild hebben
(lui/lei) avrà pianto hij/zij zal gehuild hebben
(noi) avremo pianto wij zullen gehuild hebben
(voi) avrete pianto jullie zullen gehuild hebben
(loro) avranno pianto zij zullen gehuild hebben

Condizionale

Condizionale presente 

Italiaans Nederlands
(io) piangerei ik zou huilen
(tu) piangeresti jij zou huilen
(lui/lei) piangerebbe hij/zij zou huilen
(noi) piangeremmo wij zouden huilen
(voi) piangereste jullie zouden huilen
(loro) piangerebbero zij zouden huilen

Condizionale passato 

Italiaans Nederlands
(io) avrei pianto ik zou gehuild hebben
(tu) avresti pianto jij zou hebben gehuild
(lui/lei) avrebbe pianto hij/zij zou gehuild hebben
(noi) avremmo pianto wij zouden hebben gehuild
(voi) avreste pianto jullie zouden hebben gehuild
(loro) avrebbero pianto zij zouden gehuild hebben

Congiuntivo

Congiuntivo presente 

Italiaans Nederlands
(io) pianga ik huil
(tu) pianga jij huil
(lui/lei) pianga hij/zij huilen
(noi) piangiamo wij huilen
(voi) piangiate jullie huilen
(loro) piangano zij huilen

Congiuntivo passato 

Italiaans Nederlands
(io) che io abbia pianto ik heb gehuild
(tu) che tu abbia pianto jij hebt gehuild
(lui/lei) che lui/lei abbia pianto hij/zij heeft gehuild
(noi) che noi abbiamo pianto wij hebben gehuild
(voi) che voi abbiate pianto jullie hebben gehuild
(loro) che loro abbiano pianto zij hebben gehuild

Congiuntivo imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) piangessi Ik huilde
(tu) piangessi jij zou huilen
(lui/lei) piangesse hij/zij huilde
(noi) piangessimo wij zouden huilen
(voi) piangeste jullie zouden huilen
(loro) piangessero zij huilden

Congiuntivo trapassato 

Italiaans Nederlands
(io) avessi pianto ik had gehuild
(tu) avessi pianto jij zou hebben gehuild
(lui/lei) avesse pianto hij/zij had gehuild
(noi) avessimo pianto wij hadden gehuild
(voi) aveste pianto jullie hadden gehuild
(loro) avessero pianto zij hadden gehuild

Imperativo

Imperativo 

Italiaans Nederlands
Pianga! Jij huil
Piangi! hij/zij huil
Pianga! Jij huil
Piangiamo! Jullie huilen
Piangete! zij huilen