Druk je basisemoties uit.
Beschrijf de gevoelens van anderen.
Woordenschat
Leer de belangrijkste woorden en werkwoorden die je voor deze les nodig hebt.
Activiteit: Een stressvolle dag op het werk
Mattia komt gestrest van zijn werk thuis en vertelt alles aan zijn vrouw Cecilia.
Grammatica: Il passato prossimo con essere
Il passato prossimo si forma con essere + participio passato.
Grammatica: De passato prossimo met avere
Il passato prossimo si forma con avere + participio passato.
Oefeningen
Pas in de praktijk toe wat je hebt geleerd.
In het klaslokaal
Spreken
Oefen spreken met je docent!