Dać (geven)

Dać (geven)

Leer het werkwoord "geven" te vervoegen in het Pools: tegenwoordige tijd, zich wijs (aantonende wijs)

Czas teraźniejszy, tryb oznajmujący (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Dać (geven)

Adres i dane kontaktowe (Adres en contactgegevens)

Pools
(ja) daję
(ty) dajesz
(on/ona/ono) daje
(my) dajemy
(wy) dacie
(oni/one) dają