Mieszkać (wonen)

Mieszkać (wonen)

Leer het werkwoord "wonen" te vervoegen in het Pools: tegenwoordige tijd, aantonende wijs

Czas teraźniejszy, tryb oznajmujący (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Mieszkać (wonen)

Skąd jesteś? (Waar kom je vandaan?)

Pools
(ja) mieszkam
(ty) mieszkasz
(on/ona/ono) mieszka
(my) mieszkamy
(wy) mieszkacie
(oni/one) mieszkają