Marta sueña con viajar en crucero, caravana y globo.

1. Cada día, Marta sueña con viajar por el mundo. (Elke dag droomt Marta ervan om de wereld rond te reizen.) Show
2. Ella trabaja en una empresa y tiene mucho trabajo, pero le encanta la aventura. (Ze werkt bij een bedrijf en heeft veel werk, maar ze houdt van avontuur.) Show
3. Le gustaría hacer viajes en crucero, en caravana o en globo aerostático. (Ze zou graag reizen maken met een cruiseschip, een caravan of een heteluchtballon.) Show
4. Quiere hacer un crucero por Europa para conocer las montañas y playas de países como España, Italia y Grecia. (Ze wil een cruise door Europa maken om de bergen en stranden van landen zoals Spanje, Italië en Griekenland te leren kennen.) Show
5. También le gustaría recorrer Asia en caravana para descubrir lugares históricos. (Ze zou ook graag Azië met een caravan willen doorkruisen om historische plaatsen te ontdekken.) Show
6. Le gustaría hacer un safari para ver animales, pero tiene poco tiempo por el trabajo. (Ze zou graag een safari maken om wilde dieren te zien, maar ze heeft weinig tijd vanwege haar werk.) Show
7. A veces imagina subir a un globo y volar sobre América para ver todo desde el aire. (Soms stelt ze zich voor dat ze in een ballon stijgt en over Amerika vliegt om alles vanuit de lucht te zien.) Show
8. También quiere visitar Oceanía y nadar con peces de colores. (Ze wil ook Oceanië bezoeken en zwemmen met kleurrijke vissen.) Show
9. Si tuviera más tiempo y menos trabajo, viajaría por todos los continentes ahora mismo. (Als ze meer tijd en minder werk had, zou ze nu meteen over alle continenten reizen.) Show
10. Con todos estos viajes, podría ser una verdadera exploradora. (Met al deze reizen zou ze een echte ontdekker kunnen worden.) Show

Oefening 1: Discussievragen

Instructie: Bespreek de vragen nadat je naar de audio hebt geluisterd of de tekst hebt gelezen.

  1. ¿Qué medios de transporte menciona el texto?
  2. Welke vervoermiddelen worden in de tekst genoemd?
  3. ¿Cuáles son los viajes con las que sueña Marta?
  4. Waar droomt Marta van om naartoe te reizen?
  5. ¿Cómo se sentiría Marta si puede realizar estos viajes?
  6. Hoe zou Marta zich voelen als ze deze reizen kan maken?
  7. ¿Dirías que eres una persona aventurera como Marta? ¿Por qué?
  8. Zou je zeggen dat je een avontuurlijk persoon bent zoals Marta? Waarom?
  9. ¿Crees que viajar nos ayuda a conocer más sobre nosotros mismos? ¿De qué manera?
  10. Denk je dat reizen ons helpt meer over onszelf te ontdekken? Op welke manier?