Passen (passer)

Passen (passer)

Apprenez à conjuguer le verbe « essayer » en néerlandais : temps présent parfait, mode indicatif.

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT), aantonende wijs (Passé composé, indicatif)

Toutes les conjugaisons et les temps: Passen (passer)

In de kledingwinkel (Au magasin de vêtements)

(ik) heb gepast
(jij/je) hebt gepast
(hij/zij/ze/het) heeft gepast
(wij/we) hebben gepast
(jullie) hebben gepast
(zij/ze) hebben gepast