Ausgehen (uitgaan)

Ausgehen (uitgaan)

Leer het werkwoord "uitgaan" te vervoegen in het Duits: tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Ausgehen (uitgaan)

Freitagabend (Vrijdagavond uit)

Duits
(ich) gehe aus
(du) gehst aus
(er/sie/es) geht aus
(wir) gehen aus
(ihr) geht aus
(sie) gehen aus