Fragen (vragen) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief) Delen Gekopieerd!

Fragen - Werkwoordsvervoeging van vragen in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs (Präsens, indikativ).
Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)
Alle vervoegingen en tijden: Fragen (vragen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Syllabus: Duitse les - Dinge fragen (Dingen vragen)
Verbuiging van vragen in de tegenwoordige tijd
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) frage | ik vraag |
(du) fragst | jij vraagt |
(er/sie/es) fragt | hij/zij/het vraagt |
(wir) fragen | wij vragen |
(ihr) fragt | jullie vragen |
(sie) fragen | zij vragen |
Voorbeeldzinnen
Duits | Nederlands |
---|---|
Ich frage, wann das Thema beginnt. | Ik vraag wanneer het onderwerp begint |
Fragst du, was das bedeutet? | Vraag je wat dat betekent? |
Er fragt, wie lange das dauert. | Hij vraagt hoe lang dat duurt. |
Wir fragen, wo das Rezept ist. | Wij vragen waar het recept is. |
Fragt ihr, warum das falsch ist? | Vragen jullie waarom dat fout is? |
Sie fragen, wer mitkochen will. | U vraagt wie mee wil koken. |