Heißen (heten) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief) Delen Gekopieerd!

Heißen - Verbuiging van heten in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs (Präsens, indikativ).
Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)
Alle vervoegingen en tijden: Heißen (heten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Syllabus: Duitse les - Deinen Namen sagen (Je naam zeggen)
vervoeging van heten in tegenwoordige tijd
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) heiße | ik heet |
(du) heißt | jij heet |
(er/sie/es) heißt | hij/zij/het heet |
(wir) heißen | wij heten |
(ihr) heißt | jullie heten |
(sie) heißen | zij heten |
Voorbeeldzinnen
Duits | Nederlands |
---|---|
Ich heiße Anna und freue mich. | Ik heet Anna en ik ben blij. |
Wie heißt du? Ich heiße Paul. | Hoe heet jij? Ik heet Paul. |
Der Herr heißt Müller, das ist die Antwort. | Hij heet Müller, dat is het antwoord. |
Wir heißen alle Schmidt und stellen uns vor. | Wij heten allemaal Schmidt en stellen ons voor. |
Ihr heißt Frau Becker und Herr Schulz, richtig? | Jullie heten mevrouw Becker en meneer Schulz, toch? |
Sie heißen Herrn Meier und Frau Klein. | Zij heten meneer Meier en mevrouw Klein. |