Kochen (koken) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

 Kochen (koken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Kochen - Verbuiging van koken in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, indicatieve wijs (Präsens, indikativ).

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Kochen (koken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Syllabus: Duitse les - Kochen und Backen (Koken en bakken)

Verbuiging van koken in de tegenwoordige tijd

Duits Nederlands
(ich) koche ik kook
(du) kochst jij kookt
(er/sie/es) kocht hij/zij/het kookt
(wir) kochen wij koken
(ihr) kocht jullie koken
(sie) kochen zij koken

Voorbeeldzinnen

Duits Nederlands
Ich koche das Fleisch mit Knoblauch. Ik kook het vlees met knoflook.
Du kochst die Kartoffeln zuerst. Jij kookt eerst de aardappelen.
Sie kocht das Rezept hausgemacht. zij kookt het recept zelfgemaakt
Wir kochen mit einem Liter Öl. Wij koken met een liter olie.
Ihr kocht das Essen fertig heute. Jullie koken het eten klaar vandaag.
Sie kochen das Frühstück mit Mehl. Zij koken het ontbijt met meel.