Mieten (huren) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

 Mieten (huren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Mieten - Verbuiging van huren in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, de aanvoegende wijs (Präsens, indikativ).

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Mieten (huren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Syllabus: Duitse les - Wohnen und Unterbringung (Huisvesting en accommodatie)

OTT van huren

Duits Nederlands
(ich) miete ik huur
(du) mietest jij huurt
(er/sie/es) mietet hij/zij/het huurt
(wir) mieten wij huren
(ihr) mietet jullie huren
(sie) mieten zij huren

Voorbeeldzinnen

Duits Nederlands
Ich miete die Wohnung in der Stadt. Ik huur de woning in de stad.
Du mietest das WG-Zimmer ab nächsten Monat. Jij huurt de kamer in de gedeelde woning vanaf volgende maand.
Der Mitbewohner mietet ein neues Haus auf dem Land. Hij huurt een nieuw huis op het platteland.
Wir mieten eine Villa mit großem Garten. Wij huren een villa met een grote tuin.
Ihr mietet die Wohnung für die Miete jeden Monat. Jullie huren het appartement voor de huur elke maand.
Sie mieten das Zweifamilienhaus mit ihrem Vermieter. zij huren het twee-onder-een-kap huis met hun verhuurder