Pflanzen (planten) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

 Pflanzen (planten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Pflanzen - Vervoeging van planten in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, indicatief (Präsens, indikativ).

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Pflanzen (planten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Syllabus: Duitse les - Zimmerpflanzen und Gartenpflanzen (Kamerplanten en tuinplanten)

vervoeging van planten in de tegenwoordige tijd

Duits Nederlands
(ich) pflanze ik plant
(du) pflanzt jij plant
(er/sie/es) pflanzt hij/zij/het plant
(wir) pflanzen wij planten
(ihr) pflanzt jullie planten
(sie) pflanzen zij planten

Voorbeeldzinnen

Duits Nederlands
Ich pflanze eine neue Blume im Garten. Ik plant een nieuwe bloem in de tuin.
Du pflanzt den Samen in die Erde. Jij plant het zaad in de aarde.
Er pflanzt gern Rosen und Tulpen. Hij plant graag rozen en tulpen.
Wir pflanzen Bäume neben der Schaukel. Wij planten bomen naast de schommel.
Ihr pflanzt die Pflanzen und gießt sie. Jullie planten de planten en geven ze water.
Sie pflanzen Kräuter in ihrem kleinen Garten. zij planten kruiden in hun kleine tuin