Pflanzen (planten)

Pflanzen (planten)

Leer het werkwoord "planten" te vervoegen in het Duits: tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Pflanzen (planten)

Zimmerpflanzen und Gartenpflanzen (Kamerplanten en tuinplanten)

Duits
(ich) pflanze
(du) pflanzt
(er/sie/es) pflanzt
(wir) pflanzen
(ihr) pflanzt
(sie) pflanzen