Sich vorstellen (zich voorstellen) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief) Delen Gekopieerd!

Sich vorstellen - Oudervormen van zich voorstellen in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, onvoltooide wijs (Präsens, indikativ).
Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)
Alle vervoegingen en tijden: Sich vorstellen (zich voorstellen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Syllabus: Duitse les - Deinen Namen sagen (Je naam zeggen)
Verbuiging van zich voorstellen in de tegenwoordige tijd
Duits | Nederlands |
---|---|
ich stelle mich vor | ik stel me voor |
du stellst dich vor | jij stelt je voor |
er/sie/es stellt sich vor | hij/zij/het stelt zich voor |
wir stellen uns vor | wij stellen ons voor |
ihr stellt euch vor | jullie stellen je voor |
sie stellen sich vor | zij stellen zich voor |
Voorbeeldzinnen
Duits | Nederlands |
---|---|
Ich stelle mich vor. Ich heiße Müller. | Ik stel me voor. Ik heet Müller. |
Wie stellst du dich vor, Herr Schmidt? | Hoe stel jij je voor, meneer Schmidt? |
Sie stellt sich vor und sagt ihren Namen. | Ze stelt zich voor en zegt haar naam. |
Wir stellen uns vor: Ich heiße Anna, das ist Tim. | Wij stellen ons voor: ik heet Anna, dit is Tim. |
Ihr stellt euch vor. Wie heißt ihr? | Jullie stellen je voor. Hoe heten jullie? |
Sie stellen sich vor mit Vorname und Nachname. | zij stellen zich voor met voornaam en achternaam |