Écouter (luisteren)

Écouter (luisteren)

Leer de werkwoord "luisteren" te vervoegen in het Frans: tegenwoordige tijd, indicatief

Present, indicatif (Présent, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Écouter (luisteren)

Aller à un concert (Naar een concert gaan)

Frans
(je/j') écoute
(tu) écoutes
(il/elle/on) écoute
(nous) écoutons
(vous) écoutez
(ils/elles) écoutent