Emporter (meenemen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van emporter (meenemen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Emporter (meenemen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 4: Mode de vie (Levensstijl)

Les 24: Repas à emporter (Afhaalmaaltijden)

Infinitif Participe passé
Emporter (meenemen) emporté (meenemen)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') emporte ik neem mee
(tu) emportes jij neemt mee
(il/elle/on) emporte hij/zij/men neemt mee
(nous) emportons wij nemen mee
(vous) emportez jullie nemen mee/u neemt mee
(ils/elles) emportent zij nemen mee

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') emportais ik nam mee
(tu) emportais jij nam mee
(il/elle/on) emportait hij/zij/men nam mee
(nous) emportions wij namen mee
(vous) emportiez jullie namen mee
(ils/elles) emportaient zij namen mee

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') ai emporté ik heb meegenomen
(tu) as emporté jij hebt meegenomen
(il/elle/on) a emporté hij/zij/men heeft meegenomen
(nous) avons emporté wij hebben meegenomen
(vous) avez emporté jullie hebben meegenomen
(ils/elles) ont emporté zij hebben meegenomen

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'avais emporté ik had meegenomen
tu avais emporté jij had meegenomen
il/elle/on avait emporté hij/zij/men had meegenomen
nous avions emporté wij hadden meegenomen
vous aviez emporté jullie hadden meegenomen
ils/elles avaient emporté zij hadden meegenomen

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') emporterai ik zal meenemen
(tu) emporteras jij zult meenemen
(il/elle/on) emportera hij/zij/men zal meenemen
(nous) emporterons wij zullen meenemen
(vous) emporterez jullie zullen meenemen/u zult meenemen
(ils/elles) emporteront zij zullen meenemen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai emporté ik zal meegenomen hebben
(tu) auras emporté jij zult meegenomen hebben
(il/elle/on) aura emporté hij/zij/men zal meegenomen hebben
(nous) aurons emporté wij zullen meegenomen hebben
(vous) aurez emporté u zult meegenomen hebben
(ils/elles) auront emporté zij zullen meegenomen hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') j'emporterais ik zou meenemen
tu emporterais jij zou meenemen
il/elle/on emporterait hij/zij/men zou meenemen
nous emporterions wij zouden meenemen
vous emporteriez u zou meenemen
ils/elles emporteraient zij zouden meenemen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais emporté ik zou meegenomen hebben
(tu) aurais emporté jij zou meenemen
(il/elle/on) aurait emporté hij/zij/men zou meegenomen hebben
(nous) aurions emporté wij zouden hebben meegenomen
(vous) auriez emporté u zou hebben meegenomen
(ils/elles) auraient emporté zij zouden meegenomen hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') emporte ik meenemen
(tu) emportes jij meenemen
(il/elle/on) emporte hij/zij/men meeneemt
(nous) emportions wij meenemen
(vous) emportiez jij meeneemt/u meeneemt
(ils/elles) emportent zij nemen mee

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie emporté ik dat ik meegenomen heb
(tu) que tu aies emporté jij hebt meegenomen
(il/elle/on) qu'il/elle/on ait emporté hij/zij/men heeft meegenomen
(nous) que nous ayons emporté wij dat wij meegenomen hebben
(vous) que vous ayez emporté u dat u meegenomen hebt
(ils/elles) qu'ils/elles aient emporté zij hebben meegenomen

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Emporte! neem mee
Emporte! neem mee