Vérifier (controleren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van vérifier (controleren) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Vérifier (controleren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 2: Société et gouvernement (Maatschappij en overheid)

Les 9: Paperasserie et bureaucratie (Papierwerk en bureaucratie)

Infinitif Participe passé
Vérifier (controleren) vérifié (gecontroleerd)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je vérifie ik controleer
tu vérifies jij controleert
(il/elle/on) il vérifie / elle vérifie / on vérifie hij controleert / zij controleert / men controleert
nous vérifions wij controleren
vous vérifiez u controleert
(ils/elles) ils vérifient / elles vérifient zij controleren

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') je vérifiais ik controleerde
tu vérifiais jij controleerde
il/elle/on vérifiait hij/zij/men controleerde
nous vérifiions wij controleerden
vous vérifiiez u controleerde
ils/elles vérifiaient zij controleerden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') ai vérifié ik heb gecontroleerd
(tu) as vérifié jij hebt gecontroleerd
(il/elle/on) a vérifié hij/zij/men heeft gecontroleerd
(nous) avons vérifié wij hebben gecontroleerd
(vous) avez vérifié u heeft gecontroleerd
(ils/elles) ont vérifié zij hebben gecontroleerd

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'avais vérifié ik had gecontroleerd
tu avais vérifié jij had gecontroleerd
il/elle/on avait vérifié hij/zij/men had gecontroleerd
nous avions vérifié wij hadden gecontroleerd
vous aviez vérifié jullie hadden gecontroleerd
ils/elles avaient vérifié zij hadden gecontroleerd

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') vérifierai ik zal controleren
(tu) vérifieras jij zult controleren
(il/elle/on) vérifiera hij/zij/men zal controleren
(nous) vérifierons wij zullen controleren
(vous) vérifierez u zult controleren
(ils/elles) vérifieront zij zullen controleren

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai vérifié ik zal gecontroleerd hebben
(tu) auras vérifié jij zult gecontroleerd hebben
(il/elle/on) aura vérifié hij/zij/men zal gecontroleerd hebben
(nous) aurons vérifié wij zullen gecontroleerd hebben
(vous) aurez vérifié u zult gecontroleerd hebben
(ils/elles) auront vérifié zij zullen gecontroleerd hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') je vérifierais ik zou controleren
tu vérifierais jij zou controleren
(il/elle/on) il vérifierait / elle vérifierait / on vérifierait hij zou controleren / zij zou controleren / men zou controleren
nous vérifierions wij zouden controleren
vous vérifieriez u zou controleren
(ils/elles) ils vérifieraient / elles vérifieraient zij zouden controleren

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais vérifié ik zou gecontroleerd hebben
(tu) aurais vérifié jij zou gecontroleerd hebben
(il/elle/on) aurait vérifié hij/zij/men zou gecontroleerd hebben
(nous) aurions vérifié wij zouden gecontroleerd hebben
(vous) auriez vérifié u zou gecontroleerd hebben
(ils/elles) auraient vérifié zij zouden gecontroleerd hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') vérifie ik controleer
(tu) vérifies jij controleert
(il/elle/on) vérifie hij/zij/men controleert
(nous) vérifiions wij controleren
(vous) vérifiiez jullie controleren
(ils/elles) vérifient zij controleren

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j’aie vérifié ik heb gecontroleerd
(tu) que tu aies vérifié jij hebt gecontroleerd
(il/elle/on) qu’il/elle/on ait vérifié hij/zij/men heeft gecontroleerd
(nous) que nous ayons vérifié wij hebben gecontroleerd
(vous) que vous ayez vérifié jullie hebben gecontroleerd
(ils/elles) qu’ils/elles aient vérifié zij hebben gecontroleerd

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
controleer
Vérifie! Controleer