Afdrukken (imprimir)

Conjugación de afdrukken (imprimir) para todos los tiempos verbales con frases de ejemplo y ejercicios.

Afdrukken (imprimir)

Materiales de aprendizaje que implementan este verbo:

Categoría: a2

Módulo 6: Op het werk (En el trabajo)

Lección 40: Kantoor en vergaderingen (Oficina y reuniones)

Infinitief Voltooid deelwoord
Afdrukken (imprimir) Afgedrukt (impreso)

Tiempos verbales

Aantonende wijs

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT) 

Neerlandés
(ik) druk af
(jij/je) drukt af / druk je af
(hij/zij/ze/het) drukt af
(wij/we) drukken af
(jullie) drukken af
(zij/ze) drukken af

Onvoltooid verleden tijd (OVT) 

Neerlandés
(ik) drukte af/afdrukte
(jij/je) drukte af/afdrukte
(hij/zij/ze/het) drukte af/afdrukte
(wij/we) drukten af/afdrukten
(jullie) drukten af/afdrukten
(zij/ze) drukten af/afdrukten

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT) 

Neerlandés
(ik) heb afgedrukt
(jij/je) hebt afgedrukt / hebt afgedrukt
(hij/zij/ze/het) heeft afgedrukt
(wij/we) hebben afgedrukt
(jullie) hebben afgedrukt
(zij/ze) hebben afgedrukt

Voltooid verleden tijd (VVT) 

Neerlandés
(ik) heb afgedrukt
(jij/je) hebt afgedrukt / hebt afgedrukt
(hij/zij/ze/het) heeft afgedrukt
(wij/we) hebben afgedrukt
(jullie) hebben afgedrukt
(zij/ze) hebben afgedrukt

Onvoltooid toekomende tijd (OTTk) 

Neerlandés
(ik) zal afdrukken
(jij/je) zal afdrukken / zult afdrukken
(hij/zij/ze/het) zal afdrukken
(wij/we) zullen afdrukken
(jullie) zullen afdrukken
(zij/ze) zullen afdrukken

Voltooid toekomende tijd (VTTk) 

Neerlandés
(ik) zal hebben afgedrukt
(jij/je) zal/zult hebben afgedrukt
(hij/zij/ze/het) zal hebben afgedrukt
(wij/we) zullen hebben afgedrukt
(jullie) zullen hebben afgedrukt
(zij/ze) zullen hebben afgedrukt
Conditionele wijs

Conditionele Tegenwoordige Tijd (CTT) 

Neerlandés
ik zou afdrukken
(jij/je) jij zou afdrukken
(hij/zij/ze/het) hij/zij/het zou afdrukken
(wij/we) wij zouden afdrukken
jullie zouden afdrukken
(zij/ze) zij zouden afdrukken

Conditionele Verleden Tijd (CVT) 

Neerlandés
ik zou afgedrukt hebben
(jij/je) jij zou afgedrukt hebben
(hij/zij/ze/het) hij/zij/het zou afgedrukt hebben
(wij/we) wij zouden afgedrukt hebben
jullie zouden afgedrukt hebben
(zij/ze) zij zouden afgedrukt hebben
Imperatief (gebiedende wijs)

Gebiedende wijs 

Neerlandés
Druk af!