Spelen (jouer)
Apprenez à conjuguer le verbe « jouer » en néerlandais : temps présent continu, mode indicatif
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT), aantonende wijs (Présent de l'indicatif, indicatif)
Toutes les conjugaisons et les temps: Spelen (jouer)
Sport en beweging (Sports et exercice)
| Néerlandais |
|---|
| (ik) speel |
| (jij/je) speelt/spel |
| (hij/zij/ze/het) speelt |
| (wij/we) spelen |
| (jullie) spelen |
| (zij/ze) spelen |