Veranderen (changer)
Apprenez à conjuguer le verbe « changer » en néerlandais : le passé composé, mode indicatif.
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT), aantonende wijs (Passé composé, indicatif)
Toutes les conjugaisons et les temps: Veranderen (changer)
Seizoenen, maanden en delen van het jaar (Saisons, mois et parties de l'année)
| Néerlandais |
|---|
| (ik) heb veranderd |
| (jij/je) hebt veranderd / hebt veranderd |
| (hij/zij/ze/het) heeft veranderd |
| (wij/we) hebben veranderd |
| (jullie) hebben veranderd |
| (zij/ze) hebben veranderd |