Decken (dekken)

Decken (dekken)

Leer het werkwoord "dekken" te vervoegen in het Duits: tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Decken (dekken)

Geschirr (Servies)

Duits
(ich) decke
(du) deckst
(er/sie/es) deckt
(wir) decken
(ihr) deckt
(sie) decken