Einkaufen (winkelen) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

 Einkaufen (winkelen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Einkaufen - Vervoeging van winkelen in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, onvoltooid tegenwoordige tijd (Präsens, indikativ).

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Einkaufen (winkelen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Syllabus: Duitse les - Lebensmittel einkaufen (Boodschappen doen)

Verbuiging van winkelen in de tegenwoordige tijd

Duits Nederlands
(ich) kaufe ein ik winkel
(du) kaufst ein jij winkelt
(er/sie/es) kauft ein hij/zij/het winkelt
(wir) kaufen ein wij winkelen
(ihr) kauft ein jullie winkelen
(sie) kaufen ein zij winkelen

Voorbeeldzinnen

Duits Nederlands
Ich kaufe frische Tomaten im Supermarkt. Ik winkelen verse tomaten in de supermarkt.
Kaufst du Käse und Schinken für uns ein? Jij winkelt kaas en ham voor ons.
Er kauft viele Äpfel und Bananen ein. Hij winkelt veel appels en bananen.
Wir kaufen die Lebensmittel mit dem Einkaufswagen ein. Wij winkelen de boodschappen met de winkelwagen.
Kauft ihr den Saft und Joghurt an der Kasse ein? Jullie winkelen de sap en yoghurt bij de kassa.
Sie kaufen immer günstige Paprika und Gurken ein. zij winkelen altijd goedkope paprika's en komkommers in