Leben (leven) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief) Delen Gekopieerd!

Leben - Verbuiging van leben in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, aantonende wijs (Präsens, indikativ).
Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)
Alle vervoegingen en tijden: Leben (leven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Syllabus: Duitse les - Woher kommst du? (Waar kom je vandaan?)
vervoeging van leven in de tegenwoordige tijd
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) lebe | ik leef |
(du) lebst | jij leeft |
(er/sie/es) lebt | hij/zij/het leeft |
(wir) leben | wij leven |
(ihr) lebt | jullie leven |
(sie) leben | zij leven |
Voorbeeldzinnen
Duits | Nederlands |
---|---|
Ich lebe in der Stadt Zürich. | Ik leef in de stad Zürich. |
Du lebst in Spanien, oder? | Jij leeft in Spanje, toch |
Er lebt in Frankreich mit seiner Familie. | Hij leeft in Frankrijk met zijn gezin. |
Wir leben in einem kleinen Land. | Wij leven in een klein land. |
Ihr lebt in Italien, richtig? | jullie leven in Italië, toch? |
Sie leben in den Niederlanden und sprechen Deutsch. | Zij leven in Nederland en spreken Duits. |