Legen (leggen)
Leer het werkwoord "leggen" te vervoegen in het Duits: tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)
Alle vervoegingen en tijden: Legen (leggen)
Haushaltsgeräte (Huishoudelijke apparaten)
| Duits |
|---|
| (ich) lege |
| (du) legst |
| (er/sie/es) legt |
| (wir) legen |
| (ihr) legt |
| (sie) legen |