Legen (leggen) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

 Legen (leggen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Legen - Verbuiging van legen in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, aantonende wijs (Präsens, indikativ).

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Legen (leggen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Syllabus: Duitse les - Haushaltsgeräte (Huishoudelijke apparaten)

Vervoeging van leggen in de tegenwoordige tijd

Duits Nederlands
(ich) lege ik leg
(du) legst jij legt
(er/sie/es) legt hij/zij/het legt
(wir) legen wij leggen
(ihr) legt jullie leggen
(sie) legen zij leggen

Voorbeeldzinnen

Duits Nederlands
Ich lege die Tischdecke auf den Esstisch. Ik leg het tafelkleed op de eettafel.
Du legst die Wäsche in den Trockner. jij legt de was in de droger
Er legt das Besteck in die Schublade. Hij legt het bestek in de lade.
Wir legen den Staubsauger in die Garage. Wij leggen de stofzuiger in de garage.
Ihr legt die Servietten auf den Tisch. Jullie leggen de servetten op tafel.
Sie legen die Mikrowelle neben den Herd. ze leggen de magnetron naast het fornuis