Planen (plannen)

Planen (plannen)

Leer het werkwoord "plannen" te vervoegen in het Duits: tegenwoordige tijd, aantonende wijs

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Planen (plannen)

Urlaubspläne (Vakantieplannen)

Duits
(ich) plane
(du) planst
(er/sie/es) plant
(wir) planen
(ihr) plant
(sie) planen