Sprechen (spreken)

Sprechen (spreken)

Leer het werkwoord "spreken" te vervoegen in het Duits: tegenwoordige tijd, Indikativ.

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Sprechen (spreken)

Grüße und Abschiede (Groeten en afscheid)

Duits
(ich) spreche
(du) sprichst
(er/sie/es) spricht
(wir) sprechen
(ihr) sprecht
(sie) sprechen