Spülen (afwassen) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief) Delen Gekopieerd!

Spülen - Vervoeging van afwassen in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, onvoltooid tegenwoordige tijd (Präsens, indikativ).
Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)
Alle vervoegingen en tijden: Spülen (afwassen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Syllabus: Duitse les - Geschirr (Servies)
Werkwoordvervoeging van afwassen in de tegenwoordige tijd
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) spüle | ik was af |
(du) spülst | jij wast af |
(er/sie/es) spült | hij/zij/het wast af |
(wir) spülen | wij wassen af |
(ihr) spült | jullie wassen af |
(sie) spülen | zij spoelen |
Voorbeeldzinnen
Duits | Nederlands |
---|---|
Ich spüle das Besteck nach dem Essen. | Ik was het bestek af na het eten. |
Du spülst das Glas für den Tisch. | Jij wast het glas voor de tafel af. |
Er spült die Gabel und das Messer. | Hij wast de vork en het mes af. |
Wir spülen die Teller und die Schüsseln. | Wij wassen de borden en de kommen af. |
Ihr spült die Tassen und die Kannen. | Jullie wassen de kopjes en de kannen af. |
Sie spülen die Pfannen und den Topf. | Zij wassen de pannen en de pan af. |